ECLI:NL:RBAMS:2025:2034

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 maart 2025
Publicatiedatum
27 maart 2025
Zaaknummer
13/015643-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 22 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor plofkraak in Duitsland

De rechtbank Amsterdam behandelde op 25 maart 2025 het verzoek tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht Bamberg. De verdachte werd verdacht van betrokkenheid bij een plofkraak gepleegd in de nacht van 26 op 27 juni 2023 in Scheßlitz, Duitsland.

De verdediging voerde aan dat het EAB onvoldoende duidelijkheid bood over de exacte feiten waarvoor overlevering werd gevraagd, met name of het alleen ging om de plofkraak of ook om bredere deelname aan een criminele organisatie. De rechtbank oordeelde echter dat het EAB en het bijbehorende A-formulier voldoende feitelijke beschrijving bevatten, zodat de verdachte en de rechtbank duidelijkheid hadden over het strafbare feit en de mate van betrokkenheid.

De rechtbank stelde vast dat het strafbare feit valt onder een lijstfeit zoals opgenomen in bijlage 1 van de Overleveringswet, waardoor een onderzoek naar dubbele strafbaarheid achterwege blijft. De verdachte, hoewel Nederlands staatsburger, deed geen beroep op de terugkeergarantie. Er waren geen weigeringsgronden voor overlevering. De rechtbank besloot daarom de overlevering toe te staan en wees op het ontbreken van een gewoon rechtsmiddel tegen deze uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Duitsland toe voor het strafbare feit van plofkraak.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/015643-25
Datum uitspraak: 25 maart 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 28 januari 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 2 juli 2024 door het
Amtsgericht Bamberg, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP adres] ,
nu gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 maart 2025 in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. A.C. Vingerling, advocaat in Utrecht.
De opgeëiste persoon heeft schriftelijk afstand gedaan van zijn recht om bij de behandeling van het EAB aanwezig te zijn. Deze schriftelijke verklaring is in het dossier gevoegd.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van het
Amtsgericht Bamberg(Duitsland) van 21 juni 2024, dossiernummer: 3 Gs 856/24 (2110 Js 8820/24).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]
3.1
Genoegzaamheid
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB niet genoegzaam is. Gelet op de uitgebreide feitelijke beschrijving en de vermelding van een groot aantal (mede)verdachten waarmee de opgeëiste persoon zou hebben samengewerkt, is het onvoldoende duidelijk of de overlevering alleen voor de gedragingen in de nacht van 26 op 27 juni 2023 wordt gevraagd of dat de opgeëiste persoon ook in bredere zin verdacht wordt van deelname aan een criminele organisatie.
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder het strafbare feit isn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het strafbare feit. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit de feitomschrijving in het EAB, in samenhang bezien met het A-formulier, voldoende duidelijk blijkt dat de overlevering wordt verzocht voor één strafbaar feit, namelijk de plofkraak in de nacht van 26 of 27 juni 2023 in Scheßlitz (Duitsland). Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

4.Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit, maar doet geen beroep op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan het
Amtsgericht Bamberg(Duitsland) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. A.K. Glerum en H.H.J. Zevenhuijzen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. van Heusden, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 25 maart 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.