De rechtbank Amsterdam behandelde op 25 maart 2025 het verzoek tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht Itzehoe. De verdachte, die niet persoonlijk aanwezig was maar vertegenwoordigd door zijn raadsman, had schriftelijk afstand gedaan van zijn recht op aanwezigheid.
De rechtbank stelde de identiteit van de verdachte vast en bevestigde dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. Het EAB betrof strafbare feiten volgens Duits recht, waaronder poging tot diefstal door meerdere personen met braak en medeplegen van poging tot opzettelijk ontploffing met gemeen gevaar. De rechtbank beoordeelde dat aan het vereiste van dubbele strafbaarheid was voldaan, aangezien deze feiten ook onder Nederlands recht strafbaar zijn.
De verdachte beriep zich op de garantie uit artikel 6, eerste lid, Overleveringswet (OLW), vanwege zijn sterke banden met Nederland en maatschappelijke re-integratie. Duitsland gaf een schriftelijke garantie dat, indien de verdachte tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland mag ondergaan. De rechtbank achtte deze garantie voldoende.
De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet, geen weigeringsgronden aanwezig zijn en dat de overlevering kan worden toegestaan. De uitspraak werd in het openbaar gedaan door de voorzitter en twee rechters, en er staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open.