ECLI:NL:RBAMS:2025:2230

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 maart 2025
Publicatiedatum
7 april 2025
Zaaknummer
10619223 \ CV EXPL 23-10023
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 93/13 EGArt. 21 RvTitel 2A Boek 7 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens onvoldoende stelplicht bij consumentenkoop met achteraf betaalmethode

In deze zaak vordert RIVERTY GmbH betaling van een consument die online goederen heeft gekocht met een achteraf betaalmethode. De overeenkomst betreft een consumentenkoop waarbij de betalingsvoorwaarden van eiser van toepassing zijn verklaard.

De kantonrechter toetst ambtshalve of aan het consumentenrecht is voldaan, waaronder de informatieplichten en de toetsing van algemene voorwaarden op oneerlijkheid volgens Richtlijn 93/13 EG. Eisende partij heeft echter niet gesteld of en hoe aan deze verplichtingen is voldaan, noch heeft zij de betalingsvoorwaarden overgelegd.

Hierdoor is het de rechter onmogelijk gemaakt om het ambtshalve onderzoek goed uit te voeren. De stelplicht van eiser is niet nagekomen, zodat de vordering wordt afgewezen op grond van artikel 21 Rv Pro. Subsidiaire gronden worden niet onderzocht. Eisende partij wordt veroordeeld in de proceskosten, die nihil worden begroot.

Uitkomst: De vordering wordt afgewezen wegens onvoldoende stelplicht en niet-naleving van informatieplichten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10619223 \ CV EXPL 23-10023
Vonnis van 14 maart 2025
in de zaak van
de vennootschap naar buitenlands recht
RIVERTY GMBH,
gevestigd te Verl (Duitsland),
eisende partij,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. In dat geval moet ambtshalve worden getoetst aan het consumentenrecht. Getoetst moet onder meer worden, naast de informatieplichten, of de bedingen in de algemene voorwaarden niet oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
2.2.
Eisende partij stelt in de dagvaarding dat gedaagde partij online goederen heeft gekocht bij een webwinkel. Daarbij is gekozen voor een achteraf betaalmethode, die is aangeboden door eisende partij. De betalingsvoorwaarden van eisende partij zijn daarbij van toepassing verklaard.
2.3.
In de dagvaarding is niet gesteld, en ook is niet gebleken, dat aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten ter zake van de mede aan de vordering ten grondslag liggende overeenkomst tot uitgestelde betaling is voldaan, en zo ja, op welke wijze. Ook is niets gesteld over de aard van deze overeenkomst tot uitgestelde betaling en over de vraag of, voor zover van toepassing, aan de bepalingen van Titel 2A van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is voldaan, dan wel gemotiveerd waarom deze bepalingen niet op deze overeenkomst van toepassing zijn. De betalingsvoorwaarden die van toepassing zijn verklaard, zijn ook niet in het geding gebracht. De bedingen kunnen derhalve niet worden getoetst op oneerlijkheid in de zin van de richtlijn.
2.4.
Door de voor de beoordeling van belang zijnde informatie en stukken niet volledig te verstrekken, heeft eisende partij het de kantonrechter onmogelijk gemaakt om het ambtshalve onderzoek goed uit te voeren. Geoordeeld wordt dan ook dat eisende partij niet heeft voldaan aan haar stelplicht. Dat geeft de kantonrechter aanleiding de vordering af te wijzen op grond van het bepaalde in artikel 21 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
2.5.
Nu de vordering wordt afgewezen vanwege het niet voldoen aan de stelplicht, kunnen de subsidiaire grondslagen die uitkomst niet anders maken. Zelfs als dat anders zou zijn, is niet geoordeeld dat geen overeenkomst tot stand is gekomen, zodat ook geen sprake is van onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking.
2.6.
Eisende partij wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van gedaagde partij worden begroot op nihil.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
wijst de vordering af,
3.2.
veroordeelt eisende partij in de proceskosten, begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2025.
991