ECLI:NL:RBAMS:2025:2382

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 april 2025
Publicatiedatum
14 april 2025
Zaaknummer
13-383480-24
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 Wetboek van StrafrechtArt. 5 Wet op de accijnsArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLW
Verwijzingen
14 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks beroep op terugkeergarantie

De Rechtbank Amsterdam heeft op 10 april 2025 uitspraak gedaan over de vordering tot in behandeling neming van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Kantongerecht Bielefeld in Duitsland. De opgeëiste persoon, die de Nederlandse en Turkse nationaliteit bezit, werd verdacht van strafbare feiten volgens Duits recht, waaronder medeplegen van een overtreding van de Wet op de accijns.

De verdediging voerde een genoegzaamheidsverweer aan, stellende dat het EAB onvoldoende onderbouwd was, en een beroep op de terugkeergarantie op grond van artikel 6 OLW Pro. De rechtbank oordeelde dat het EAB wel degelijk voldoende informatie bevatte over de feiten, de rol van de opgeëiste persoon en dat het specialiteitsbeginsel gewaarborgd is. Tevens werd de garantie voor terugkeer na veroordeling als voldoende beoordeeld.

Daarnaast werd een weigeringsgrond op grond van artikel 13 OLW Pro aangevoerd, omdat de feiten deels in Nederland zouden zijn gepleegd. De rechtbank verwierp dit verweer, gelet op het lopende onderzoek in Duitsland, de coördinatie via Eurojust en het feit dat het Nederlandse OM geen vervolging nastreeft.

Het onschuldverweer werd niet ontvankelijk verklaard vanwege de gewijzigde Overleveringswet per 1 oktober 2024, die dit verweer uitsluit. De rechtbank stond de overlevering toe en bepaalde dat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel openstaat.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Duitsland toe ondanks het beroep op terugkeergarantie en onschuldverweer.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-383480-24
Datum uitspraak: 10 april 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 30 januari 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 november 2024 door het Kantongerecht
(Amtsgericht)Bielefeld in Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1957,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres]
gedetineerd in [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 maart 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A. Sahin, advocaat in Lent en door een tolk in de Turkse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse en Turkse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel
met het oog op voorarrestuitgevaardigd door het Kantongerecht (
Amtsgericht) Bielefeld op 7 november 2024, met dossiernummer 9 Gs 6483/24.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Genoegzaamheid
De raadsvrouw heeft zich (zo begrijpt de rechtbank) op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd omdat het EAB niet genoegzaam is, nu de wijze van betrokkenheid van de opgeëiste persoon niet is onderbouwd.
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
In deze zaak is het volgende van belang.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een genoegzaam EAB. Uit de feitomschrijving volgen de pleegplaatsen, pleegdata, de rol van de opgeëiste persoon en de beschrijving van de feiten. Daarbij komt dat sprake is van een vervolgings-EAB, waarbij de overlevering is gevraagd ten behoeve van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. De precieze gang van zaken met betrekking tot het feit waarvan de opgeëiste persoon in Duitsland wordt verdacht zal later in Duitsland moeten blijken. Naar het oordeel van de rechtbank is het specialiteitsbeginsel dan ook voldoende gewaarborgd.
Voor zover door de verdediging is betoogd dat onvoldoende duidelijk is waarop de uitvaardigende justitiële autoriteit de verdenking tegen de opgeëiste persoon baseert, overweegt de rechtbank dat artikel 2 OLW Pro niet de eis stelt dat het EAB de verdenking onderbouwt. Het is ook vaste rechtspraak dat de overleveringsrechter niet in de beoordeling van de gronden van de verdenking treedt.

4.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
medeplegen van opzettelijke overtreding van een in artikel 5 van Pro de Wet op de accijns opgenomen verbod.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De
Senior Public Prosecutor bij The Chief Public Prosecutorin Bielefeld heeft op 13 februari 2025 de volgende garantie gegeven:
“Extradition of the accused person [opgeëiste persoon], born on [geboortedag] 1957 in [geboorteplaats]/[geboorteland], on the basis of the arrest warrant issued by the Bielefeld Local Court on 12 November 2024 (9 Gs 6542/24) - assurance of return in accordance with Article 5 No. 3 of the Framework Decision on the European Arrest Warrant (2002/584/JHA)
It is assured that, in the event of a final conviction in the Federal Republic of Germany, the person being prosecuted will be extradited to the Netherlands for the purpose of enforcing his sentence on the basis of the applicable version of Council Framework Decision 2008/909/JHA of 27 November 2008 on the application of the principle of mutual recognition of convictions and judgements in criminal proceedings imposing custodial sentences or measures for the purpose of their enforcement in the European Union (OJ L 327 of 5 December 2008, page 27).”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro

Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. [4]
De raadsvrouw van de opgeëiste persoon verzoekt de overlevering op grond van dit artikel te weigeren en stelt zich op het standpunt dat de feiten die betrekking hebben op de opgeëiste persoon zich allemaal in Nederland hebben afgespeeld. Bovendien heeft de opgeëiste persoon binding met Nederland en moet ook de gezondheidssituatie van de opgeëiste persoon in acht worden genomen.
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe aan dat het onderzoek is aangevangen in Duitsland, waarbij vanuit Eurojust een gecoördineerde actie in België en Nederland heeft plaatsgevonden met doorzoekingen. De bewijsmiddelen bevinden zich in Duitsland en de medeverdachten worden daar vervolgd. Bovendien zijn de producten (ook) ingevoerd in Duitsland en zijn daar invoerrechten ontdoken. Het Nederlandse Openbaar Ministerie is verder niet voornemens de opgeëiste persoon voor dit feit te vervolgen.
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank stelt in het licht van de door de officier van justitie gegeven argumenten vast dat het gegeven dat de feiten worden geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding vormt om de weigeringsgrond toe te passen. Hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen.

7.Onschuldverweer

De raadsvrouw heeft namens de opgeëiste persoon een onschuldverweer gevoerd.
De rechtbank overweegt als volgt.
Per 1 oktober 2024 is de Overleveringswet gewijzigd. Deze wijzigingen hebben onmiddellijke werking. Als gevolg hiervan is het niet meer mogelijk om met vrucht een onschuldverweer te voeren, nu de Overleveringswet hiervoor geen basis biedt.

8.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

9.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 47 Wetboek van Strafrecht, 5, 79 Wet op de accijns en 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan het Kantongerecht
(Amtsgericht)Bielefeld in Duitsland, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. R.A. Sipkens, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en D. Kloos, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 april 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.