ECLI:NL:RBAMS:2025:2481

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 april 2025
Publicatiedatum
16 april 2025
Zaaknummer
10760146 \ CV EXPL 23-13753
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 Richtlijn 93/13 EGArt. 4 lid 2 Richtlijn 93/13 EGArt. 6:203 lid 3 BWArt. 6:210 lid 2 BWArt. 6:212 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging oneerlijk prijsbeding en afwijzing vordering reparatie auto

In deze civiele zaak vordert PON Luxury Cars B.V. betaling van een consument voor een uitgevoerde autoreparatie. De gedaagde partij is niet verschenen, waarna verstek is verleend. De kantonrechter heeft ambtshalve het prijsbeding beoordeeld en geoordeeld dat dit beding ondoorzichtig en oneerlijk is, waardoor het de consument niet bindt.

De eisende partij betoogde dat het prijsbeding niet vernietigd moet worden omdat de overeenkomst vóór het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 12 januari 2023 tot stand kwam en de tarieven redelijk zijn. Dit verweer werd verworpen, omdat het HvJ EU-criterium ook van toepassing is op oudere overeenkomsten en de omvang van de prijs niet relevant is voor de toets op transparantie en oneerlijkheid.

Als gevolg van de vernietiging van het prijsbeding kan de overeenkomst niet voortbestaan. De kantonrechter oordeelde dat de gedaagde partij geen uiterst nadelige gevolgen ondervindt door het vervallen van de overeenkomst, omdat de werkzaamheden volledig zijn verricht. Tevens is het niet redelijk om de consument te verplichten tot schadevergoeding, aangezien de eisende partij gebruik heeft gemaakt van een oneerlijk beding.

Daarom wordt de vordering afgewezen en wordt de eisende partij veroordeeld in de proceskosten, die nihil worden begroot.

Uitkomst: De vordering tot betaling wordt afgewezen wegens vernietiging van het oneerlijke prijsbeding; de consument is niet tot betaling verplicht.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10760146 \ CV EXPL 23-13753
Vonnis van 11 april 2025
in de zaak van
PON LUXURY CARS B.V.,
gevestigd te Leusden,
eisende partij,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 20 december 2024,
- de akte van eisende partij.
1.2.
Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft gedaagde partij niet gereageerd op de akte van eisende partij.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij voornoemd tussenvonnis is eisende partij in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen van de kantonrechter het prijsbeding te vernietigen, dat als niet transparant en oneerlijk is aangemerkt.
2.2.
Eisende partij concludeert primair dat het prijsbeding niet vernietigd moet worden, omdat de overeenkomst tot stand is gekomen vóór het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) van 12 januari 2023, zodat de grondslag van de vordering blijft bestaan. De werkwijze van eisende partij is niet eerder afgestraft en de tarieven van eisende partij zijn ook redelijk. Subsidiair concludeert eisende partij dat als het prijsbeding wordt vernietigd, ongedaanmakingsverplichtingen ontstaan. Gedaagde partij zou daarom moeten worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding ter hoogte van de waarde van de verrichte prestaties. De tarieven van eisende partij, waarvan een indicatie op de website staat, zijn redelijk. Aangenomen moet worden dat de waarde van de geleverde prestatie redelijkerwijs kan worden vastgesteld op de door eisende partij in rekening gebrachte bedragen. Gedaagde partij moet dus ook in dat geval het gevorderde bedrag aan eisende partij betalen, aldus – steeds – eisende partij.
2.3.
Wat eisende partij in haar akte heeft aangevoerd, leidt niet tot een andere uitkomst dan overwogen in het tussenvonnis. Dat de overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen vóór de datum van het arrest waarnaar in het tussenvonnis wordt verwezen en/of de werkwijze van eisende partij niet eerder is afgestraft, heeft niet tot gevolg dat de uitleg van het HvJ EU niet voor overeenkomsten die voor de datum van het arrest zijn gesloten geldt. Op grond van vaste rechtspraak van het HvJ EU (RWE-arrest van 21 maart 2013, ECLI:EU:C:2013:180) moet bij het verklaren of preciseren van een bepaald voorschrift de daaraan gegeven uitleg worden verstaan en toegepast vanaf het tijdstip van de inwerkingtreding van het betreffende voorschrift. Nu Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn) werking heeft vanaf 1994, moet het uitgelegde voorschrift door de rechter ook worden toegepast op rechtsbetrekkingen die zijn ontstaan en tot stand gekomen vóór het arrest. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen, die hier niet aan de orde zijn, kunnen hier beperkingen aan worden gesteld. Eisende partij voert ook aan dat de in rekening gebrachte tarieven redelijk, althans niet exorbitant zijn en vernietiging daarom achterwege zou moeten blijven. Hoewel de kantonrechter wil aannemen dat de tarieven van eisende partij niet onredelijk zijn, is de omvang van de prijs geen relevante factor bij de toets op transparantie en oneerlijkheid, zo volgt uit artikel 4 lid 2 van Pro de richtlijn.
2.4.
Nu het prijsbeding oneerlijk is, bindt het de consument niet, gelet op artikel 6 lid 1 van Pro de richtlijn. Gevolg hiervan is dat de overeenkomst niet kan blijven voortbestaan. De vraag is vervolgens of gedaagde partij daarvan uiterst nadelige gevolgen ondervindt en in zijn belangen wordt geschaad, omdat de kantonrechter in dat geval de overeenkomst moet aanvullen (zie onder andere ECLI:EU:C:2020:954).
2.5.
Nu eisende partij de overeengekomen werkzaamheden volledig heeft verricht, heeft gedaagde partij in die zin geen belang bij voortzetting van de overeenkomst. Wel komt gedaagde partij door het vervallen van de overeenkomst in een situatie van rechtsonzekerheid te verkeren, nu het eisende partij de mogelijkheid biedt om op basis van het recht op ongedaanmaking van de prestaties een vergoeding voor de reeds verrichte diensten te vorderen (zie ECLI:EU:C:2023:14, punt 62 en artikel 6:203 lid 3 jo Pro. 6:210 lid 2 en 6:212 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). De Nederlandse wetgever heeft in die laatste artikelen echter bepaald dat ongedaanmaking of de verplichting om schade te vergoeden alleen mogelijk is voor zover dit redelijk is. Daarmee wordt tegemoetgekomen aan het lange termijn doel van artikel 7 lid 2 van Pro de richtlijn.
2.6.
Een vordering gegrond op deze artikelen heeft onder de omstandigheid dat de overeenkomst is uitgewerkt/voltooid geen uiterst nadelige gevolgen voor gedaagde partij, aangezien het niet redelijk is om een vergoeding van de waarde van de prestatie in de plaats te laten treden van het ongedaan maken van de prestatie, dan wel gedaagde partij tot schadevergoeding te verplichten, nu eisende partij gebruik heeft gemaakt van een oneerlijk prijsbeding. Als gevolg daarvan heeft gedaagde partij die waarde voordat hij de overeenkomst aanging juist niet kunnen inschatten, waardoor hij is bevrijd van zijn betalingsverplichting (ECLI:EU:C:2023:14, punt 58). Volgens het HvJ EU kan niet worden aanvaard dat een partij economisch voordeel haalt uit haar onrechtmatige gedrag – waaronder het hanteren van oneerlijke bedingen – noch dat zij wordt gecompenseerd voor de nadelen die door dergelijk gedrag worden veroorzaakt (ECLI:EU:C:2023:478, punt 81: het “nemo auditur propriam turpitudinem allegans” (NAPTA) beginsel).
2.7.
Gezien het voorgaande hoeft de overeenkomst niet voort te bestaan. Gedaagde partij heeft dan ook geen betalingsverplichting, zodat de vordering wordt afgewezen.
2.8.
Eisende partij wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagde partij, die tot op heden zijn te begroten op nihil.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
wijst de vordering af,
3.2.
veroordeelt eisende partij in de proceskosten, begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2025.
991