ECLI:NL:RBAMS:2025:2670

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 april 2025
Publicatiedatum
24 april 2025
Zaaknummer
13-040076-25 (EAB II)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 310 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 12 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks betwisting dagvaarding

De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Polen voor de overlevering van een verdachte die een resterende gevangenisstraf van zeven maanden en negenentwintig dagen moet uitzitten. De verdachte betwistte de geldigheid van de dagvaarding, omdat hij stelde dat deze niet daadwerkelijk in persoon aan hem was betekend, en voerde aan dat er geen concrete aanklacht was zoals vereist onder het EVRM.

De officier van justitie en de rechtbank gingen echter uit van het vertrouwensbeginsel en namen de verklaring van de Poolse autoriteiten dat de dagvaarding op 10 oktober 2023 in persoon was betekend als juist aan. De enkele ontkenning van de verdachte was onvoldoende om dit te betwisten. De rechtbank concludeerde dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing was.

Verder werd vastgesteld dat de feiten waarvoor overlevering werd verzocht, namelijk meervoudige diefstal, ook onder Nederlands recht strafbaar zijn en dat er geen concrete aanwijzingen waren voor schending van het recht op een eerlijk proces ondanks structurele gebreken in de Poolse rechtsorde.

De rechtbank besloot daarom de overlevering toe te staan en wees erop dat tegen deze beslissing geen gewoon rechtsmiddel openstaat. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer onder voorzitterschap van mr. M.C.M. Hamer.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-040076-25
Datum uitspraak: 24 april 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 7 februari 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 15 januari 2025 door
the Ostrołęka Regional Court, Second Criminal Division,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1991,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in het [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft – nadat de behandeling eerder op 2 april 2025 was aangehouden omdat de opgeëiste persoon niet was aangevoerd – plaatsgevonden op de zitting van 10 april 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. van der Woude, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
final judgement by the Ostrołęka District Court, van 17 november 2023 met referentie II K 551/22.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog zeven maanden en negenentwintig dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Standpunt van de raadsman
In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard. Uit ervaring is bekend dat in Polen “in persoon uitgereikt” niet betekent dat de oproep ook daadwerkelijk in persoon aan de opgeëiste persoon is uitgereikt. Bovendien is de opgeëiste persoon wel gehoord in deze zaak en heeft hij een adresinstructie gekregen, maar is er geen concrete aanklacht tegen hem, bijvoorbeeld in de vorm van een voorlopige tenlastelegging, aan hem bekend gemaakt. Artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) vereist dat wel. De raadsman heeft daarom primair verzocht de overlevering te weigeren op grond van artikel 12 OLW Pro. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de behandeling van de zaak worden aangehouden om de Poolse autoriteiten te vragen aan wie de dagvaarding op 10 oktober 2023 in persoon is uitgereikt.
Standpunt van de officier van justitie
Uit het EAB blijkt dat de dagvaarding voor de zitting aan de opgeëiste persoon in persoon is betekend op 10 oktober 2023. Gelet op het vertrouwensbeginsel dient van de juistheid van deze informatie uit te gaan. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon dat hij de dagvaarding daadwerkelijk heeft ontvangen is daartoe onvoldoende. De overlevering kan dan ook worden toegestaan.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Op grond van wat in onderdeel d) van het EAB is vermeld, stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op 10 oktober 2023 in persoon is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gesteld van tijd en plaats van de zitting en is geïnformeerd dat een beslissing kan worden genomen indien hij niet verschijnt. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van die informatie. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is niet voldoende om hieraan te twijfelen, mede gezien de vermelding in het EAB van de specifieke datum waarop de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard. De opgeëiste persoon heeft niet met stukken onderbouwd dat de informatie in het EAB onjuist is en daarnaast heeft de opgeëiste persoon bevestigd dat hij op het moment dat de oproep aan hem zou zijn betekend nog in Polen woonde.
De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW, zodat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en ziet geen aanleiding om de behandeling aan te houden teneinde hierover nadere vragen te stellen.

4.Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
diefstal, meermalen gepleegd.

5.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
6. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 310 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Ostrołęka Regional Court, Second Criminal Division,Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. H.H.J. Zevenhuijzen en D.A. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en D. Kloos, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 april 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (