Eiseres exploiteert een hotel en had een contract met een touroperator die 32 kamers per nacht afnam tegen een vaste prijs, ongeacht daadwerkelijke bezetting. De heffingsambtenaar legde navorderingsaanslagen toeristenbelasting op over de jaren 2017, 2019 en een definitieve aanslag over 2020. Eiseres maakte bezwaar tegen deze aanslagen, stellende dat belasting alleen verschuldigd is over daadwerkelijk door toeristen gebruikte kamers.
De rechtbank oordeelt dat de heffing van toeristenbelasting niet vereist dat daadwerkelijk overnachtingen plaatsvinden. De vaste vergoeding die de touroperator aan eiseres betaalt, vormt de heffingsgrondslag. Dit oordeel is in lijn met eerdere jurisprudentie van het Hof Amsterdam en de Hoge Raad, waarin het directe verband tussen de vergoeding en het verblijf van toeristen wordt bevestigd.
De rechtbank wijst het beroep van eiseres af en verklaart het ongegrond. Ook het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam op 28 april 2025 en is openbaar.