Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Ontvankelijkheid openbaar ministerie
aangetroffen geheimhouderdocumenten werd gehandeld overeenkomstig de voorgeschreven instructie.” Dat is onjuist. De inbeslaggenomen digitale bestanden met vermoedelijke geheimhouderinformatie zijn niet, zonder verdere kennisneming van de inhoud daarvan, ter toetsing ter beschikking gesteld aan de medewerker geheimhouders. Er is dus niet volgens de instructies in deze handleiding gewerkt. In het proces-verbaal van 4 februari 2025 genaamd “bevindingen geheimhoudersstukken 13Doezel” staat: “
Indien er geheimhoudersinformatie werd onderkend werd deze informatie genegeerd en niet gelezen. Vervolgens is de data destijds niet door een geheimhouders collega geschoond op geheimhoudersinformatie.”
Bij het nakijken van het digitale beslag kwam ik tot de ontdekking dat in de beschikbare data van de telefoon van [medeverdachte 2] (beslagcode 5843557) nog e-mailberichten aanwezig waren die te linken zijn aan een geheimhouder. Ik heb namelijk om te testen in deze data een zoekopdracht gegeven om in de e-mails te zoeken naar 'optieovereenkomst'. Ik zag onder andere meerdere e-mails met het e-mailadres van [e-mailadres] voorbijkomen.” In het door de verbalisant opgemaakte proces-verbaal van 13 februari 2025 licht hij toe waarom hij de zoekopdracht ‘optieovereenkomst’ koos: “
Ik, verbalisant, heb bij de test de zoekopdracht "optieovereenkomst" gebruikt omdat in het onderzoek naar de strafbare feiten met betrekking tot zaakdossier ZD3 de optieovereenkomst of intentieverklaring met optievergoeding een rol speelde en ook op een eerder moment al in de brieven van mr. Tonino.” De verbalisant heeft per e-mail van 11 oktober 2023 de officier van justitie over zijn ontdekking geïnformeerd en gevraagd wat de politie nu moest doen. Uit het door de officier van justitie opgemaakte proces-verbaal van 13 februari 2025 volgt dat de officier van justitie de verbalisant per e-mail van 13 oktober 2023 heeft geantwoord dat ze alsnog een geheimhoudersrechercheur door de stukken moesten laten gaan om de geheimhoudersstukken eruit te laten halen en direct te laten vernietigen en dat daarvan proces-verbaal moest worden opgemaakt. De verbalisant heeft in het proces-verbaal van 4 februari 2025 toegelicht dat er daarna een geheimhouder is ingeschakeld en dat de bestanden op dat moment ontoegankelijk zijn gemaakt voor het onderzoeksteam, maar dat door het vertrek van de geheimhouder bij de politie het onderzoeksdossier uiteindelijk niet is geschoond. De rechtbank leidt hieruit af dat er geen toezicht op het proces is gehouden door het openbaar ministerie.
Ik heb zoveel hoteldingen gedaan. Deze staat mij niet meer bij.”). Het verweer houdt dan ook in dat de e-mails met het e-mailadres van [e-mailadres] waarop de verbalisant na het geven van de zoekopdracht ‘optieovereenkomst’ stuitte (mogelijk) ontlastend zijn en dus van belang voor de waarheidsvinding. De rechtbank is van oordeel dat dit voor iedereen met enige kennis van het onderzoek duidelijk had moeten zijn. Een en ander blijkt al uit de toelichting van de verbalisant waarom hij heeft gekozen voor de zoekopdracht “optieovereenkomst” en dit wordt ook door de officier van justitie erkend. De officier van justitie is niet aangeslagen op de gebruikte zoekterm en de hits die waren gevolgd, maar heeft aangegeven zich achteraf te hebben gerealiseerd dat dat wel had gemoeten. Zij erkent dat het niet goed is dat zij daar niets mee heeft gedaan. Zij benadrukt dat het openbaar ministerie niet bewust ontlastend bewijs heeft willen vernietigen en dat dat ook niet is gebeurd, omdat het digitale beslag nog niet is geschoond.
4.Vrijspraak
“[..] Bij deze stuur ik als met je afgesproken h.e.e.a. aan gegevens toe aangaande het door ons te bouwen Overamstelhotel.[..]”. Hij meldt in die e-mail ook wie de contacten zijn van [bedrijf 1] , onder wie hijzelf en [medeverdachte 1] . Bij [verdachte] staat vermeld dat hij financieel partner is en bij [medeverdachte 1] staat dat hij adviseur is. Bij een e-mail die [medeverdachte 2] op 2 april 2014 aan [medewerker 2] van de gemeente heeft gestuurd staan [verdachte] en [medeverdachte 1] ook in de cc vermeld. Ook in een e-mailwisseling tussen [medeverdachte 2] en [medewerker 3] van [afdeling] van de gemeente in april en juni 2014 over [adres 2] staan zij in de cc vermeld. In die tijd zijn zij inmiddels ook aandeelhouders van [bedrijf 1] geworden. Van enig uit het zicht houden van [verdachte] en [medeverdachte 1] in deze periode is dus geen sprake.
Zij hebben toen mij bericht dat ze afscheid zouden nemen van [medeverdachte 1] als aandeelhouder en vroegen of dat voldoende was in het kader van de wet Bibob. Dat was op dat moment voldoende.”. Later in het verhoor verklaart zij dat hij geen bemoeienis meer mocht hebben, maar ook dat ze de exacte afspraken niet meer weet en dat ze niet weet of die ergens zijn vastgelegd. Een en ander ondersteunt de lezing van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] dat uittreden als aandeelhouder volstond om het vergunningtraject te kunnen voortzetten.
5.Beslissing
niet-ontvankelijkin de vervolging van verdachte voor het onder feit 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde schuldwitwassen.
spreektverdachte daarvan
vrij.