ECLI:NL:RBAMS:2025:3286

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 mei 2025
Publicatiedatum
21 mei 2025
Zaaknummer
C/13/765988 / FA RK 25-1845
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 810 RvArt. 7 Brussel II-ter VerordeningArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek provisionele omgangsregeling na langdurige afwezigheid contact

De man verzocht de rechtbank om een voorlopige omgangsregeling met zijn minderjarige zoon, met wie hij al tien jaar geen contact heeft gehad. De vrouw, die het gezag heeft en met het kind woont, verscheen niet op de zitting en voerde verweer tegen het verzoek.

De rechtbank oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd is omdat het kind naar verwachting in Nederland woont, ondanks de stelling van de vrouw dat zij op Curaçao verblijven. De rechtbank stelde vast dat het verzoek samenhangt met de bodemprocedure en dat een voorlopige voorziening kan worden gevraagd.

Echter, de rechtbank vond dat er geen spoedeisend belang was om het verzoek toe te wijzen, mede omdat het contactherstel eerst zorgvuldig onderzocht moet worden in het belang van het kind. De rechtbank gelastte daarom een raadsonderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming om inzicht te krijgen in de situatie, het gezag en de omgang. De man werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om een voorlopige voorziening en verdere beslissingen werden aangehouden.

Uitkomst: Verzoek provisionele omgangsregeling niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken spoedeisend belang; raadsonderzoek gelast.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/765988 / FA RK 25-1845
Beschikking van 8 mei 2025 betreffende provisionele voorziening ex art. 223 Rv Pro.
in de zaak van:
[de man] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna mede te noemen de man,
advocaat mr. M.B. Chylinska,
tegen
[de vrouw] ,
wonende op een geheim adres,
hierna mede te noemen de vrouw,
advocaat mr. J.J.M. Kleiweg.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de Raad.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift van de man met bijlagen, ontvangen op 6 maart 2025;
  • de aanvullende bijlagen van de man, ontvangen op 22 april 2025.
1.2.
Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling van 23 april 2025. Daarbij waren de man en de advocaten aanwezig, alsmede de heer [naam] namens de Raad. Hoewel de vrouw op de juiste manier is opgeroepen, is zij niet op de zitting verschenen.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad.
2.2.
Uit deze relatie is geboren de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2015.
2.3.
De man heeft [minderjarige] erkend.
2.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] bij beschikking van 23 februari 2016 onder toezicht gesteld
van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming regio [vestigingsplaats] . Deze ondertoezichtstelling is nadien telkens verlengd, laatstelijk tot 23 mei 2022.
2.5.
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij beschikking van 14 januari 2020 een informatieregeling bepaald. Die regeling houdt in dat de vrouw in elke even maand aan de man per e-mail een update zal
geven over [minderjarige] , dat zij elke maand februari en oktober een recente goed gelijkende
kleurenfoto aan de man zal sturen en dat zij hem (een kopie van) ieder schoolrapport zal
e-mailen. Dit alles op straffe van een dwangsom.
2.6.
De rechtbank heeft bij beschikking van 9 december 2020, voor zover hier van belang, het
gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en bepaald dat de vrouw alleen het gezag over
[minderjarige] toekomt. Deze beschikking is door het gerechtshof Amsterdam bij beschikking van 26 oktober 2021 bekrachtigd. De informatieregeling (zie 3.3) is in deze procedures niet gewijzigd.
2.7.
De rechtbank heeft bij beschikking van 24 maart 2021 het verzoek van de man om een
omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen afgewezen. Deze beschikking is door
het gerechtshof Amsterdam bij beschikking van 26 oktober 2021 bekrachtigd.
2.8.
Bij vonnis van 20 juli 2022 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat, samengevat, de aan
de vrouw opgelegde informatieregeling maximaal drie keer ten uitvoer kan worden gelegd
bij lijfsdwang voor de duur van vier uur.
2.9.
De rechtbank heeft bij beschikking van 3 augustus 2022 de verzoeken van de man om
hem samen met de vrouw te belasten met het gezag over [minderjarige] en om een omgangsregeling
vast te stellen tussen hem en [minderjarige] , afgewezen. Deze beschikking is door het gerechtshof Amsterdam bekrachtigd bij beschikking van 28 maart 2023.
2.10.
De rechtbank heeft bij beschikking van 30 november 2023, betreffende een provisionele
voorziening ex artikel 223 Rv Pro, zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het door de
man ingediende verzoek om een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen.
2.11.
De voorzieningenrechter heeft bij vonnis in kort geding van 19 oktober 2023 de vordering
van de man om de vrouw te verbieden om te verhuizen, althans haar te verplichten om met
[minderjarige] terug te verhuizen naar Nederland, afgewezen. Het gerechtshof Amsterdam heeft zich bij arrest van 29 oktober 2024 onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen van de
man.
2.12.
De rechtbank heeft zich in de beschikking van 5 juni 2024 onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de verzoeken van de man om hem samen met de vrouw te belasten met het gezag over
[minderjarige] en een omgangs- of zorgregeling en een informatie- en/of consultatieregeling
vast te stellen. Het gerechtshof Amsterdam heeft voornoemde beschikking bij beschikking van 28 januari 2025 bekrachtigd.

3.Het verzoek en verweer

3.1.
De man heeft verzocht een voorlopige verdeling van de
zorg- en opvoedingstaken vast te stellen waarbij de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot contact met elkaar op de navolgende dagen en tijdstippen:
  • elke zaterdag van 10.00 uur tot 16.00 uur en elke maandag van 14.00 uur tot 19.00 uur;
  • althans op de door de rechtbank in goede justitie voorlopig te bepalen dagen en tijdstippen;
  • op straffe van een dwangsom bij niet nakoming van € l .000,- per keer, met een maximum van € 50.000, en tevens het opleggen van lijfsdwang opbouwend van l dagdeel bij niet nakoming en uit te breiden elke keer met l dagdeel extra, dan wel beslissingen in goede justitie te nemen inzake de dwangsommen en lijfsdwang.
3.2.
Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft de man gesteld dat hij graag weer betrokken wil zijn in het leven van [minderjarige] . De man probeert al jarenlang met hem in contact te komen en informatie over hem te krijgen, maar de vrouw werkt nergens aan mee. Het is in het belang van [minderjarige] dat er, in afwachting van de beslissing(en) op zijn verzoek ten gronde, met spoed een aanvang wordt gemaakt met contactherstel. [minderjarige] dreigt door het inmiddels langdurig uitblijven van contact volledig van zijn vader onthecht te raken, wat niet in zijn belang is. Dit bovendien zonder enige deugdelijke, zwaarwegende en doorslaggevende reden.
3.3.
De vrouw heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de man. Primair heeft de vrouw gesteld dat de rechtbank niet bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek aangezien zij met [minderjarige] op Curaçao woont. Subsidiair heeft de vrouw gesteld dat de man niet ontvankelijk is in zijn verzoek wegens het ontbreken van spoedeisend belang.

4.De beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht
4.1.
De rechtbank moet eerst beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek. De vraag die daarbij beantwoord moet worden is of [minderjarige] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Uit de door de man overgelegde stukken blijkt dat de vrouw per 13 januari 2025 weer met een woonadres in [woonplaats 2] is ingeschreven. Weliswaar heeft de vrouw gesteld dat zij met [minderjarige] op Curaçao woont, maar zij heeft die stelling onvoldoende onderbouwd. Het stuk dat door de vrouw is overgelegd en dat een bedoeld bewijs van inschrijving op een school op Curaçao betreft, bestaat uit drie afzonderlijke delen en daaruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat [minderjarige] , zoals de vrouw stelt, is ingeschreven op een school op Curaçao, dan wel elders buiten Nederland. Daarbij komt, dat het niet ingewikkeld zou hoeven te zijn om stukken in te dienen die haar stelling dat zij daadwerkelijk met [minderjarige] op Curaçao woont, te onderbouwen, ook indien zij geen openheid wenst te geven over haar adres aldaar.
De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de inschrijving in de BRP klopt en dat de vrouw samen met [minderjarige] in Nederland woonachtig is. De Nederlandse rechter is dan ook op grond van artikel 7 van Pro de Brussel II-ter Verordening bevoegd om kennis te nemen van het verzoek. Op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is Nederlands recht van toepassing.
Voldoende samenhang bodemprocedure
4.2.
Ingevolge artikel 223, eerste lid, Rechtsvordering kan tijdens een aanhangig geding iedere partij verzoeken dat de rechter een voorlopige voorziening, zoals een voorlopige omgangsregeling, zal treffen voor de duur van het geding. Een voorlopige voorziening als hier bedoeld, kan pas worden verzocht indien en nadat de bodemprocedure aanhangig is gemaakt, terwijl het incidentele verzoek moet samenhangen met het verzoek in de hoofdzaak. De rechtbank stelt vast dat aan deze criteria is voldaan.
Spoedeisend belang
4.3.
Voor de vraag of plaats is voor toewijzing van een verzoek als bedoeld in artikel 223 Rv Pro dient de rechter te onderzoeken of een spoedeisend belang bestaat, in die zin dat van de man niet gevergd kan worden dat hij de afloop van de bodemprocedure afwacht.
4.4.
De man heeft gesteld dat het spoedeisend belang volgt uit de aard van het verzoek. De rechtbank gaat daar niet in mee. Vaststaat dat de man [minderjarige] al tien jaar niet heeft gezien. De Raad heeft ter zitting toegelicht dat het noodzakelijk is dat er meer informatie verkregen wordt voordat duidelijk is of, en zo ja, hoe het contactherstel tot stand kan worden gebracht. De situatie waarin [minderjarige] zich bevindt, moet eerst goed worden onderzocht, aldus de Raad. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat – in het belang van [minderjarige] – van de man gevergd kan worden dat hij de afloop van de bodemprocedure afwacht. Dat er onvoldoende informatie is als gevolg van de zorgelijke opstelling van de vrouw, waarbij zij iedere vorm van contact tussen vader en zoon weigert, en waarbij zij zelfs weigert uitvoering te geven aan rechterlijke uitspraken waarin is bepaald dat zij inlichtingen over [minderjarige] dient te verstrekken aan de man, maakt niet dat daarom wel een spoedeisend belang moet worden aangenomen. Het opstarten van contact, na een jarenlange verwijdering, zonder dat bekend is hoe dit in het belang van [minderjarige] moet worden vormgegeven, wordt niet in het belang van [minderjarige] geacht.
4.5.
Wel maakt de rechtbank zich dusdanig veel zorgen over de huidige situatie, die al bijna de gehele jeugd van [minderjarige] voortduurt, dat de rechtbank een raadsonderzoek noodzakelijk acht. De rechtbank zal daarom, vooruitlopend op de bodemprocedure, een Raadsonderzoek gelasten naar gezag en omgang, met het
verzoek aan de Raadom het raadsrapport
in de bodemprocedure in te brengen (C/13/765987 / FA RK 25-1844). De rechtbank benadrukt daarbij dat het van groot belang is dat de Raad zich zal inspannen om in contact te komen met de vrouw, dan wel dat de Raad zich zal inspannen om informatie in te winnen over haar huidige woonplaats en woonsituatie, zodat er zo snel mogelijk zicht komt op de situatie waarin [minderjarige] verkeert. Dat de vrouw zich onttrekt aan ieder contact en weigert gerechtelijke beslissingen na te komen is immers schadelijk voor [minderjarige] .

5.De beslissing

De rechtbank:
in het incident C/13/765988 / FA RK 25-1845:
5.1.
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
in de bodemprocedure C/13/765987 / FA RK 25-1844:
5.2.
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming te [vestigingsplaats] advies uit te brengen en daartoe de volgende vragen in het onderzoek te betrekken:
  • zijn er belemmeringen die een gezamenlijke gezagsuitoefening in de weg staan?
  • is contactherstel tussen [minderjarige] en de man in het belang van [minderjarige] en zo ja op welke wijze dient dit vorm te worden gegeven?
  • welke mogelijkheden ziet de Raad in het kader van de informatie- en consultatieverplichting van de vrouw?
  • welke andere feiten en omstandigheden moet de rechtbank bij haar oordeel betrekken?
5.3.
bepaalt dat de griffier met voormeld doel een afschrift van deze aan de Raad zal toezenden;
5.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. F.P. Lauwaars, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. S.M. Geerding, griffier, op 8 mei 2025.