ECLI:NL:RBAMS:2025:336

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 januari 2025
Publicatiedatum
20 januari 2025
Zaaknummer
13/298242-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 OverleveringswetArt. 8 Kaderbesluit 2002/584/JBZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering toestemming uitbreiding vervolging overgeleverde persoon wegens schending hoorrecht en detentieomstandigheden

De rechtbank Amsterdam heeft op 2 januari 2025 een verzoek van Polen tot uitbreiding van de vervolging van een overgeleverde persoon afgewezen. Het verzoek betrof aanvullende vervolging op basis van feiten waarvoor eerder overlevering mogelijk was.

De rechtbank oordeelde dat het hoorrecht van de overgeleverde persoon niet adequaat was gewaarborgd. Hoewel het verzoek was toegezonden met de mogelijkheid om binnen zeven dagen schriftelijk te reageren, ontbrak nadere toelichting en juridische bijstand, waardoor niet kon worden vastgesteld dat de persoon zijn standpunt naar behoren kon kenbaar maken.

Daarnaast bestonden er ernstige zorgen over de detentieomstandigheden in de Poolse voorlopige hechtenis. Het individuele reële gevaar voor schending van grondrechten kon niet worden weggenomen, mede doordat de uitvaardigende autoriteit geen antwoord gaf op vragen hierover. Daarom werd de toestemming voor uitbreiding van vervolging geweigerd, met de mogelijkheid tot hernieuwd verzoek bij gewijzigde omstandigheden.

Uitkomst: De rechtbank weigert toestemming voor uitbreiding van de vervolging vanwege onvoldoende gewaarborgd hoorrecht en reëel gevaar voor schending van grondrechten door detentieomstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/298242-24
Datum beslissing: 2 januari 2025
BESLISSING
op de vordering ex artikel 14, derde lid, Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank op 18 september 2024, strekkende tot het in behandeling nemen van een verzoek om toestemming te verlenen voor uitbreiding van de vervolging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, OLW. Dit verzoek is ingediend door
the Circuit Court of Świdnica(Polen) op 21 augustus 2024 en betreft:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] (Polen),
thans gedetineerd in Polen,
hierna te noemen: de overgeleverde persoon.

1.Beoordeling

Het verzoek bevat de gegevens als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ. Het verzoek betreft feiten ten aanzien waarvan krachtens de OLW overlevering had kunnen worden toegestaan.
De rechtbank weigert de toestemming voor uitbreiding van de vervolging echter om de hiernavolgende twee redenen.
Hoorrecht
Vereist is dat de overgeleverde persoon feitelijk de mogelijkheid heeft gehad om al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot aanvullende toestemming kenbaar te maken, zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 oktober 2021. [1]
Uit de stukken blijkt dat de opgeëiste persoon geen afstand heeft gedaan van het specialiteitsbeginsel. Voorts blijkt dat het verzoek om aanvullende toestemming op
18 juli 2024 aan de overgeleverde persoon is toegezonden met daarbij de instructie dat hij binnen zeven dagen per brief zijn standpunt ten aanzien van het verzoek kenbaar kon maken aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Dit bericht is op 24 juli 2024 door de overgeleverde persoon ontvangen. Op 2 augustus 2024 is vastgesteld dat hij geen standpunt kenbaar gemaakt heeft.
Bovenstaande gang van zaken is naar het oordeel van de rechtbank niet afdoende om het hoorrecht te waarborgen. In het hiervoor aangehaalde arrest van het Hof van Justitie is ten aanzien van het hoorrecht namelijk de eis geformuleerd dat een overgeleverde persoon in staat moet worden gesteld om
naar behoren en daadwerkelijk zijn standpunt kenbaar te makenten aanzien van het verzoek om aanvullende toestemming. Het enkel aan de overgeleverde persoon toesturen van het verzoek met daarbij de instructie dat hij binnen zeven dagen zijn standpunt kenbaar kan maken voldoet, zonder nadere toelichting, niet aan die eis. Uit de stukken blijkt niet duidelijk of het de overgeleverde persoon, die zelf niet juridisch is onderlegd, duidelijk was wat er precies van hem gevraagd. Evenmin blijkt of hij bijstand had van een advocaat om hem hierin te adviseren. Tot slot maakt de rechtbank uit de informatie uit het verzoek op dat de overgeleverde persoon op 18 juli 2024 gedetineerd was, waardoor de rechtbank ervan uitgaat dat communicatie met de buitenwereld, bijvoorbeeld ter consultatie van een advocaat, niet zonder meer makkelijk en voortvarend te realiseren was. Al met al kan de rechtbank niet vaststellen dat de overgeleverde persoon in staat is gesteld om naar behoren en daadwerkelijk zijn standpunt over het verzoek tot aanvullende toestemming kenbaar te maken.
Detentieomstandigheden voorlopige hechtenis
Bij de rechtbank bestaan momenteel zorgen over de detentieomstandigheden in het Poolse voorlopige hechtenis-regime. Door het IRC zijn deze zorgen op 13 november 2024 per e-mail aan de uitvaardigende justitiële autoriteit kenbaar gemaakt en zijn daarover vragen gesteld. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in haar reactie van 2 december 2024 geen antwoord gegeven op de gestelde vragen. Zo blijft onduidelijk hoelang de opgeëiste persoon buiten zijn cel mag verblijven.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank tevens vast dat voor de opgeëiste persoon een individueel reëel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat, nu het al eerder vastgestelde algemene gevaar met de verstrekte aanvullende informatie niet is weggenomen.
Bij gewijzigde omstandigheden staat het de uitvaardigende justitiële autoriteit vrij om een nieuw verzoek tot aanvullende toestemming in te dienen.

2.Beslissing

De rechtbank
WEIGERTtoestemming voor uitbreiding van de vervolging van
[opgeëiste persoon]voor de feiten zoals vermeld in het verzoek.
Deze beslissing is genomen op 2 januari 2025 door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en D.A. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier.

Voetnoten

1.Vgl. HvJ EU 26 oktober 2021, ECLI:EU:C:2021:876, punt 63.