AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Heropening en schorsing van onderzoek in zaak Europees aanhoudingsbevel wegens detentieomstandigheden in België
De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Hof van Beroep in Antwerpen voor de overlevering van een Nederlandse verdachte die een onherroepelijke straf van vijf jaar in België moet uitzitten wegens illegale handel in verdovende middelen.
De verdachte was niet persoonlijk aanwezig bij het hoger beroep, maar had een advocaat gemachtigd die zijn verdediging voerde, waardoor de weigeringsgrond van artikel 12 OLWPro niet van toepassing was. De officier van justitie stelde dat de overlevering moest worden geweigerd vanwege het resocialisatiebelang van de verdachte in Nederland, maar de verdachte deed geen beroep op artikel 6a OLW, zodat deze weigeringsgrond niet werd toegepast.
De rechtbank stelde echter vast dat er geen individuele detentiegarantie was verstrekt en dat er een algemeen reëel gevaar bestaat voor onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden in België. Daarom werd het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Daarnaast verlengde de rechtbank de beslistermijn en de gevangenhouding met 30 dagen en bepaalde dat de zaak uiterlijk 14 dagen voor het einde van de verlengde termijn opnieuw op zitting moet worden gepland. De uitspraak is gedaan door drie rechters en is onherroepelijk.
Uitkomst: Het onderzoek wordt heropend en voor onbepaalde tijd geschorst vanwege onvoldoende detentiegaranties, met verlenging van beslistermijn en gevangenhouding.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-066912-25
Datum uitspraak: 28 mei 2025
TUSSEN- UITSPRAAK
op de vordering van 24 maart 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 26 februari 2025 door de advocaat-generaal van het Hof van Beroep in Antwerpen (België) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP adres] ;
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1.Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 mei 2025, in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. B.G. Janssen, advocaat in Maastricht, zijn niet verschenen.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.
3.Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een arrest van het Hof van Beroep in Antwerpen (België) van 26 februari 2025 (referentie: 2020/PGA/636, griffienummer: 357/2025).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 5 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1825 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft het feit zoals omschreven in het EAB. [3]
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, zoals hier het geval is, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bisPro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLWPro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4]
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Op grond van het EAB en de verklaring van de opgeëiste persoon tijdens het verhoor van 24 maart 2025 stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het proces in hoger beroep, een advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren, en dat deze advocaat tijdens het proces zijn verdediging ook daadwerkelijk heeft gevoerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLWPro is dan ook niet van toepassing.
4.Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5.Artikel 6a OLW
Op grond van artikel 6a OLW kan de overlevering van een Nederlander, zoals de opgeëiste persoon, worden geweigerd, indien de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen. Nu artikel 6a OLW een (facultatieve) weigeringsgrond betreft, dient de opgeëiste persoon een beroep te doen op de weigeringsgrond van artikel 6a OLW.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd. De opgeëiste persoon heeft een duidelijk resocialisatiebelang in Nederland. De opgeëiste persoon woont hier, ontvangt hier medische zorg en wordt nog vervolgd voor feiten die in Nederland zijn gepleegd. Er is geen enkel resocialisatiebelang in België.
Oordeel van de rechtbank
De opgeëiste persoon heeft geen beroep gedaan op de (facultatieve) weigeringsgrond van artikel 6a OLW. Gelet daarop komt de rechtbank niet toe aan de vraag in welk land de tenuitvoerlegging uit het oogpunt van sociale re-integratie beter kan plaatsvinden. De weigeringsgrond van artikel 6a, eerste lid, OLW staat dus niet in de weg aan overlevering.
5.Artikel 11; detentieomstandigheden
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank in een andere zaak geoordeeld dat ten aanzien van alle detentie-instellingen in België een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, gelet op de detentieomstandigheden in België, en dat daarom de tot dan toe verstrekte algemene detentiegarantie niet meer voldoet. [5] Nu er in onderhavige zaak geen individuele detentiegarantie is verstrekt, is het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon niet weggenomen.
Voorgaande leidt ertoe dat het onderzoek zal worden heropend en geschorst voor onbepaalde tijd, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
- In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
- Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
- Hoe worden de hygiënische en sanitaire omstandigheden gewaarborgd? Kunt u in het bijzonder ook ingaan op de vraag of deze detentie-instelling beschikt over een deugdelijk afgeschermd toilet in de meerpersoonscellen?
De rechtbank zal op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van 22, derde lid, OLW moet beslissen met 30 dagen verlengen, onder gelijke verlenging van de gevangenhouding met 30 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
6.Beslissing
HEROPENTen SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 5. door de rechtbank geformuleerde vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit;
VERLENGTop grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen met 30 dagen;
VERLENGTop grond van artikel 27, derde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste
persoon met 30 dagen;
BEPAALTdat de zaak uiterlijk 14 dagen voor 21 juli 2025 (het einde van de verlengde beslistermijn) opnieuw op zitting moet worden gepland;
BEVEELTde oproeping van [opgeëiste persoon]tegen een nader te bepalen dag en tijdstip met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn advocaat.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. B. van Galen en J.E. van Bruggen rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 mei 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.