ECLI:NL:RBAMS:2025:4191

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 juni 2025
Publicatiedatum
19 juni 2025
Zaaknummer
13-143090-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 48 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks verzoek tot aanhouding

De rechtbank Amsterdam behandelde op 19 juni 2025 het verzoek van de officier van justitie tot in behandeling neming van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht Düsseldorf. De verdachte, een Nederlandse staatsburger geboren in 2004, werd verdacht van strafbare feiten waaronder georganiseerde diefstal en opzettelijke brandstichting, die onder de lijstfeiten van de Overleveringswet vallen.

De verdachte beriep zich op de terugkeergarantie zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW, omdat hij sterke banden met Nederland heeft en zijn straf hier beter kan worden uitgevoerd. Duitsland gaf een schriftelijke garantie dat de opgeëiste persoon na veroordeling in Duitsland zijn straf in Nederland mag ondergaan. De rechtbank achtte deze garantie voldoende.

De raadsman verzocht om aanhouding van de behandeling tot na afronding van een lopende Nederlandse strafzaak waarin de verdachte op 6 juni 2025 moest verschijnen. De rechtbank wees dit verzoek af, mede omdat de verdachte aanwezig kon zijn bij die Nederlandse strafzaak en een eventuele veroordeling tot gevangenisstraf uitstel van overlevering kan rechtvaardigen.

De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet, geen weigeringsgronden aanwezig zijn en dat overlevering toegestaan is. De uitspraak is in het openbaar gedaan en er staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de Nederlandse verdachte aan Duitsland toe en wijst het verzoek tot aanhouding af.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-143090-25
Datum uitspraak: 19 juni 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 15 mei 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 mei 2025 door het
Amtsgericht Düsseldorf, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
gedetineerd in het [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 5 juni 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. Z. Nahar, advocaat in Baarn.
De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
[nummer]
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van het
Amtsgericht Düsseldorfvan 5 mei 2025, met kenmerk 139 Gs 81/25 (52 Js 62/25).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [2]

4.Strafbaarheid

4.1
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het feit aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal;
opzettelijke brandstichting.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
4.2
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de ‘beschadiging van goederen’ niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
medeplegen van het opzettelijk vernielen of beschadigen van enig gebouw, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. [3] Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
Die Leitende Oberstaatsanwältin van Düsseldorfheeft per brief van 27 mei 2025 de volgende garantie gegeven:
"
Overlevering van de Nederlandse staatsburger [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] , vanuit Nederland aan Duitsland(...). Naar aanleiding van uw e-mail d.d. 27 mei 2025 garanderen wij dat de vervolgde persoon bij een rechterlijk vonnis met kracht van gewijsde in de Bondsrepubliek Duitsland op grond van het geldende versie van kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd met het oog op tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PbEU L 327 van 5 december 2008, pagina 27) voor verdere tenuitvoerlegging van zijn straf naar Nederland wordt teruggezonden."
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6.Verzoek tot aanhouding

De raadsman heeft ter zitting verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaak tot na afronding van de Nederlandse strafzaak. De opgeëiste persoon moet op 6 juni 2025 voorkomen in een Nederlandse witwaszaak met parketnummer 13-171682-24, waarbij hij aanwezig wil zijn om zijn verdediging te voeren. Dit lopende proces is van cruciaal belang voor de proportionaliteitsafweging. In de onderhavige zaak dient de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon te worden afgewogen tegen minder ingrijpende alternatieven, waarbij bijzondere aandacht moet uitgaan naar zijn persoonlijke omstandigheden en de parallelle Nederlandse strafvervolging.
De officier van justitie heeft zich verzet tegen aanhouding van de behandeling van de zaak. De opgeëiste persoon kan aanwezig zijn bij de behandeling van de Nederlandse strafzaak. Wanneer de opgeëiste persoon in de Nederlandse strafzaak wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf, kan dat leiden tot uitstel van de feitelijke overlevering. Er bestaat geen reden om hierover op voorhand een beslissing te nemen.
De rechtbank wijst het verzoek tot aanhouding af. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon op 6 juni 2025 aanwezig kan zijn bij de behandeling van de Nederlandse strafzaak. De rechtbank overweegt verder dat een eventuele veroordeling tot een gevangenisstraf in deze strafzaak ertoe kan leiden dat de feitelijke overlevering van de opgeëiste persoon naar Duitsland wordt uitgesteld. Daarover hoeft nu nog geen beslissing worden genomen.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 48 en 170 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan het
Amtsgericht Düsseldorf(Duitsland) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. R.A. Sipkens, voorzitter,
mrs. M.C. Danel en D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 19 juni 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie onderdeel e) van het EAB.
3.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (