In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 3 juli 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen Woningstichting Rochdale en een gedaagde huurder. Rochdale vorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning vanwege een huurachterstand die was opgelopen tot meer dan drie maanden. De huurovereenkomst was in 1997 ingegaan en de huidige huur bedroeg € 630,27. Eerder was er ook al een huurachterstand geweest, waarvoor een regeling was getroffen, maar opnieuw was er een achterstand ontstaan. De gedaagde voerde verweer en stelde dat de huurachterstand op de dag van de zitting minder dan één maand bedroeg, maar de kantonrechter oordeelde dat de huurachterstand op dat moment € 2.782,09 was. De kantonrechter overwoog dat de herhaalde huurachterstand, in combinatie met eerdere achterstanden, een ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigde. De gedaagde vroeg om een laatste termijn om de achterstand in te lopen, maar Rochdale verzet zich hiertegen. De kantonrechter besloot de ontbinding en ontruiming toe te wijzen, maar onder de voorwaarde dat de gedaagde de huurachterstand binnen een maand zou inlopen. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat het onmiddellijk uitgevoerd kon worden, ook als de gedaagde in hoger beroep ging. De gedaagde werd ook veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 1.227,72.