ECLI:NL:RBAMS:2025:4504

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 juni 2025
Publicatiedatum
30 juni 2025
Zaaknummer
C/13/757051 / HA ZA 24-1060
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding voor niet-conforme levering van kweektafels en de beoordeling van eigen schuld en voordeelstoerekening

In deze civiele zaak, behandeld door de Rechtbank Amsterdam, is op 18 juni 2025 vonnis gewezen in een geschil tussen Breier & Son Ltd. en Technisch Bureau W.M. Bruine de Bruin B.V. Breier, de eisende partij, vorderde schadevergoeding van Bruine de Bruin wegens niet-conforme levering van aluminium zijkanten voor kweektafels. De rechtbank heeft vastgesteld dat de kweektafels die door Breier zijn aangeschaft, corrosie vertonen en niet voldoen aan de koopovereenkomst. De Hoge Raad heeft eerder, op 1 september 2023, de aansprakelijkheid van Bruine de Bruin bevestigd, waardoor de rechtbank zich enkel hoefde te richten op de omvang van de schade.

Breier heeft een schadevergoeding van ILS 820.000,- gevorderd, bestaande uit kosten voor nieuwe aluminium zijkanten, laswerkzaamheden, installatie en verwijdering van de zijkanten, en buitengerechtelijke kosten. Bruine de Bruin betwistte de hoogte van de schade en voerde aan dat Breier geen vermogensschade heeft geleden, dat eventuele schade het gevolg is van eigen schuld, en dat er sprake is van voordeelstoerekening. De rechtbank heeft deze verweren verworpen en geoordeeld dat Breier wel degelijk vermogensschade heeft geleden. De rechtbank heeft de schade vastgesteld en Bruine de Bruin veroordeeld tot betaling van het gevorderde bedrag, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.

In reconventie heeft Bruine de Bruin vorderingen ingesteld die door de rechtbank zijn afgewezen. De rechtbank heeft de proceskosten van beide partijen toegewezen, waarbij Bruine de Bruin in het ongelijk is gesteld. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/757051 / HA ZA 24-1060
Vonnis van 18 juni 2025
in de zaak van
BREIER & SON LTD.,
gevestigd te Bnei-Zion (Israël),
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Breier,
advocaat: mr. A.C. van der Bent,
tegen
TECHNISCH BUREAU W.M. BRUINE DE BRUIN B.V.,
gevestigd te Aalsmeer,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Bruine de Bruin,
advocaat: mr. M. Bitter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 september 2024, met producties,
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in (voorwaardelijke) reconventie, met producties,
- de conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie,
- het tussenvonnis van 29 januari 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte overlegging productie 14 aan de zijde van Breier,
- de mondelinge behandeling van 7 mei 2025 waarbij aanwezig waren:
[naam 1] en [naam 2] , de Israëlische advocaat van Breier, via een videoverbinding, vergezeld door mr. Van der Bent,
[naam 3] , controleur en gemachtigde van Bruine de Bruin, [naam 4] , verkoper bij Bruine de Bruin, vergezeld door mr. S.J. Spanjaard.
Hiervan heeft de griffier spreekaantekeningen gemaakt,
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Vooraf

2.1.
Bij eindarrest van 7 juni 2022 heeft het gerechtshof Amsterdam geoordeeld dat de door Breier van Bruine de Bruin gekochte zijprofielen voor kweektafels in haar kweekkassen niet voldeden aan de gesloten koopovereenkomst. [1] Bruine de Bruin is daarbij veroordeeld tot vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat, ter zake van de kosten die Breier moet maken voor aanschaf van aluminium zijkanten van gelijke afmetingen en specificaties conform de opdrachtbevestiging van 10 maart 2010 met een zodanige aluminiumlegering dat zij geschikt zijn voor gebruik in kweekkassen, inclusief alle voor herplaatsing noodzakelijke onderdelen conform de opdrachtbevestiging van 10 maart 2010, alsmede tot vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat, ter zake van de kosten die Breier moet maken voor het verwijderen en herplaatsen van de aluminium zijkanten. Deze beslissing heeft de Hoge Raad met toepassing artikel 81 RO op 1 september 2023 bekrachtigd. [2]

3.Het geschil

in conventie
3.1.
In de dagvaarding heeft Breier haar schade gevorderd en als volgt gespecificeerd:
i. ILS 820.000,- (Israëlische sjekel), althans het equivalent in euro van dat bedrag, gebaseerd op de offerte die Breier heeft gevraagd aan het Israëlische bedrijf Azrom. Het bedrag is als volgt opgebouwd:
a) Nieuwe aluminium zijkanten (profielen) ILS 510.000,-,
b) Laswerkzaamheden ILS 51.000,-,
c) Installatie en verwijdering aluminium zijkanten ILS 250.000,-,
d)
Transportkosten ILS 9.000,-Totaal: ILS 820.000,- excl. btw.
ILS 8.474,58 aan buitengerechtelijke kosten die zijn gemaakt door de Israëlische en de Nederlandse advocaat,
ILS 360,- vertaalkosten,
€ 3.397,41,-, voor de inschakeling van de Nederlandse advocaat,
vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 september 2016 over de bedragen genoemd in ii, iii en iv en proceskosten.
3.2.
Bruine de Bruin betwist dat de aluminium zijkanten/profielen niet voldeden aan de overeenkomst. Daarnaast voert Bruine de Bruin kort samengevat aan dat:
Breier geen vermogensschade heeft geleden,
indien Breier wel vermogensschade heeft geleden, dit door eigen schuld van Breier komt,
Breier voordeel heeft genoten dat in aftrek gebracht moet worden van eventuele schadevergoeding.
in reconventie
3.3.
Bruine de Bruin vordert zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Breier niet-ontvankelijk te verklaren, althans Breier haar vorderingen te ontzeggen, althans de vordering van Breier te matigen tot € 5.312,48, althans de daadwerkelijk door Breier gemaakte reparatiekosten,
het door Breier genoten voordeel af te trekken van hetgeen Bruine de Bruin zou moeten betalen,
het aandeel van Breier in de door haar zelf veroorzaakte schade te verrekenen met het aandeel van Bruine de Bruin,
in voorwaardelijke reconventie
Breier te veroordelen in de kosten van de procedure in eerste en tweede aanleg, in cassatie en de onderhavige procedure, te vermeerderen met kosten en wettelijke handelsrente.
Breier te veroordelen aan Bruine de Bruin terug te betalen de bedragen die Bruine de Bruin aan Breier heeft betaald op grond van de vonnissen van de rechtbank en de arresten van het gerechtshof en de Hoge Raad in deze kwestie, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
In deze procedure gaat het alleen om de omvang van de schade die Bruine de Bruin aan Breier moet vergoeden.
4.2.
Het gerechtshof Amsterdam is tot het oordeel gekomen dat Bruine de Bruin aansprakelijk is op grond van artikel 7:17 BW. Deze beslissing is door de Hoge Raad op 1 september 2023 bekrachtigd. Op grond van deze in kracht van gewijsde gegane beslissing staat dus met gezag van gewijsde tussen partijen de aansprakelijkheid van Bruine de Bruin vast. Aldus kan – zoals Breier heeft aangevoerd – niet meer worden toegekomen aan de stellingen van Bruine de Bruin die zich toespitsen op de vraag naar aansprakelijkheid. De verdere beoordeling beperkt zich dan ook tot de schade en de toerekening daarvan aan Bruine de Bruin.
4.3.
Bruine de Bruin heeft niet de hoogte van de door Breier gestelde bedragen betwist, maar alleen aangevoerd dat deze geen vermogensschade vormen, dat deze aan Breier moeten worden toegerekend (eigen schuld) en dat Breier voordeel heeft gehad (voordeelstoerekening). Die verweren zal de rechtbank hieronder bespreken.
vermogensschade
4.4.
Breier stelt dat Bruine de Bruin geen (vermogens)schade heeft omdat de kweektafels gewoon bruikbaar zijn. Breier maakt vanaf 2010 tot op heden ook daadwerkelijk gebruik van de kweektafels.
4.5.
De schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, bestaat uit vermogensschade en ander nadeel. Zaakschade – als onderdeel van vermogensschade – wordt omschreven als schade die het gevolg is van beschadiging of vernietiging van een zaak (als bedoeld in art. 3:2 BW). Het gaat daarbij niet alleen om de directe schade als gevolg van de beschadiging of vernietiging zoals kosten van reparatie, maar ook om verdere schade, zoals kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid.
4.6.
Vaststaat dat de kweektafels die Breier van Bruine de Bruin heeft gekocht corrosie vertonen en dat er in sommige tafels gaten zichtbaar zijn. De rechtbank verwerpt dan ook de stelling van Bruine de Bruin dat er geen vermogensschade is. Uit het feit dat Breier gebruik maakt van de kweektafels mag Bruine de Bruin niet de gevolgtrekking afleiden dat er daardoor geen schade is. De kweektafels vertegenwoordigen niet de waarde van kweektafels waarop Breier volgens de koopovereenkomst aanspraak had. Dat de kweektafels niettemin bruikbaar zijn doet daaraan niet af.
4.7.
Over de hoogte van de schade stelt Bruine de Bruin dat het onduidelijk is of Breier de door haar opgevoerde kostenposten en facturen ook daadwerkelijk heeft betaald. Ook deze stelling wordt niet gevolgd. De rechter begroot de schade op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is (artikel 6:97 lid 1 BW). Bij zaakschade kan voor de schadeberekening worden geabstraheerd van de feitelijk gemaakte kosten van herstel. Hierbij is tevens van belang dat in gevallen waarin herstel niet mogelijk is, of economisch niet verantwoord is, als uitgangspunt geldt dat de schade dient te worden gesteld op de redelijke – naar objectieve maatstaven berekende – kosten van herstel. Hiervan is ook sprake als herstel feitelijk niet of tegen geringere kosten plaatsvindt. [3] De vraag of Breier de kostenposten en facturen daadwerkelijk heeft betaald, is dan ook niet relevant. De conclusie is dat Breier vermogensschade heeft geleden.
geen eigen schuld
4.8.
Bruine de Bruin stelt dat de schade van Breier te wijten is aan haar eigen schuld. Breier heeft namelijk a) voorafgaande aan de koop niet aan Bruine de Bruin doorgevraagd over het door Breier gebruikte water en substraat en, b) Bruine de Bruin nooit medegedeeld dat Breier dit water en substraat gebruikte. Daarbij is c) Breier doorgegaan met dit water en substraat te gebruiken nadat de corrosie was ontstaan.
4.9.
Het gerechtshof is er voor de vaststelling van de aansprakelijkheid van uitgegaan dat de blootstelling van de zijprofielen aan de door Breier gehanteerde EC-waarden hebben gelden als normaal gebruik. Het oordeel van het gerechtshof en de gronden waarop het berust staan in deze procedure tussen partijen vast. De rechtbank zal dus wel het eigen-schuldverweer van Bruine de Bruin beoordelen, maar daarbij uitgaan van deze overweging van het gerechtshof.
4.10.
Verder blijkt uit het deskundigenrapport van 2017 dat het materiaal dat is gebruikt voor de zijprofielen op zichzelf geschikt is voor normaal gebruik, maar dat er in sommige gevallen randvoorwaarden zijn in het kader van dit normale gebruik. Bruine de Bruin – zo begrijpt de rechtbank – lijkt zich op het standpunt te stellen dat Breier, als koper, deze randvoorwaarden binnen normaal gebruik had moeten begrijpen en Bruine de Bruin daarvan op de hoogte had moeten stellen. Een dergelijke interpretatie gaat echter veel verder dan hetgeen partijen in de gegeven omstandigheden van elkaar mochten verwachten. Bruine de Bruin richt zich op de glastuinbouw met de door haarzelf ontworpen en geproduceerde producten. Breier teelt bloemen. Bruine de Bruin heeft zelf niet aangegeven dat er onder bepaald normaal gebruik randvoorwaarden gelden en Breier hoefde hier op haar beurt ook niet op bedacht te zijn. Het eigen-schuldverweer van Bruine de Bruin slaagt dus niet.
geen voordeelstoerekening
4.11.
Bruine de Bruin stelt dat Breier opbrengsten heeft gegeneerd uit de verkoop van planten waarvoor de kweektafels zijn gebruikt. Deze opbrengsten moeten in mindering worden gebracht op de schade, aldus Bruine de Bruin.
4.12.
Indien een zelfde gebeurtenis voor de benadeelde naast schade tevens voordeel heeft opgeleverd, dan moet, voor zover dit redelijk is, dit voordeel bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening worden gebracht (artikel 6:100 BW). Voor een geslaagd beroep op voordeelstoerekening is aldus vereist dat tussen de normschending en de gestelde voordelen een logisch causaal verband bestaat, in die zin dat in de omstandigheden van het geval sprake is van een voordeel dat zonder de normschending niet zou zijn opgekomen.
4.13.
Bruine de Bruin stelt ten onrechte dat er sprake is van zo’n causaal verband. De ‘zelfde gebeurtenis’ is in dit geval de corrosie en het ontstaan van gaten in de kweektafels. Dat Breier in staat is om gebruik te maken van de kweektafels staat los van deze gebeurtenis. Immers, zonder de normschending (corrosie) zou het door Bruine de Bruin gestelde ‘voordeel’ nog steeds aanwezig zijn. Aldus ontbreekt het causaal verband. Ook dit verweer van Bruine de Bruin slaagt dus niet.
4.14.
Dit betekent dat de vordering van Breier voor wat betreft de hoofdsom zal worden toegewezen. Gelet daarop behoeft de vordering in reconventie geen bespreking meer en zal deze worden afgewezen.
buitengerechtelijke incassokosten
4.15.
Breier vordert ILS 8.474,58 vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Hierbij zal worden aangesloten bij het door Breier omgerekende bedrag van ‘ruim € 200.000,-’ zoals genoemd in haar dagvaarding. Daarom zal een bedrag van € 2.775,- worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen vanaf 6 september 2016.
4.16.
Breier vordert ILS 360,- aan vertaalkosten. De rechtbank zal deze afwijzen, omdat ze begrepen zijn in de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten die Bruine de Bruin moet vergoeden.
4.17.
Bruine de Bruin is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Breier worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
112,37
- griffierecht
6.617,00
- salaris advocaat
5.428,00
(2 punten × € 2.714,00)
- nakosten
139,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
12.296,37
4.18.
Bruine de Bruin is ook in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van Breier worden begroot op € 614,00 aan salaris advocaat (2 punten × 0,5 × € 614,00).

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
veroordeelt Bruine de Bruin om aan Breier te betalen een bedrag van ILS 820.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 6 september 2016, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt Bruine de Bruin om aan Breier te betalen een bedrag van € 2.775,- aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van de dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt Bruine de Bruin in de proceskosten van € 12.296,37, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Bruine de Bruin niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.6.
wijst de vorderingen van Bruine de Bruin af,
5.7.
veroordeelt Bruine de Bruin in de proceskosten van € 614,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Bruine de Bruin niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.8.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.L. Bolkestein, rechter, bijgestaan door mr. S.C.C. Valk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2025.

Voetnoten

1.Hof Amsterdam, 7 juni 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1702.
2.Hoge Raad, 1 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1147.
3.Hoge Raad, 7 mei 2004,