Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2025:4805

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 juni 2025
Publicatiedatum
10 juli 2025
Zaaknummer
11422186 \ CV EXPL 24-15111
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:44 BWBesluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsgeschil over niet tijdig betaalde energiefacturen en incassokosten

GGP leverde elektriciteit en gas aan gedaagde, die meerdere facturen niet tijdig betaalde. GGP vorderde het restant van onbetaalde facturen van €1.712,46 plus wettelijke handelsrente en incassokosten. Gedaagde betwistte de hoogte van de vordering en stelde dat de rente en kosten onjuist waren berekend.

De kantonrechter stelde vast dat de oorspronkelijke hoofdsom €8.228,62 bedroeg, niet €9.933,39 zoals GGP stelde, mede op basis van een betalingsregeling tussen partijen. GGP had te veel rente en incassokosten berekend, onder meer door onterecht kosten te rekenen over een factuur die tijdig was voldaan. De incassokosten waren hoger dan het wettelijk toegestane maximum en dossierkosten mochten niet apart worden gerekend.

Gedaagde had in totaal €10.000,- betaald, waarmee hij de oorspronkelijke hoofdsom inclusief rente en kosten volledig had voldaan. De gevorderde wettelijke handelsrente over de hoofdsom werd afgewezen omdat deze al was betaald. Omdat GGP de openstaande voorschotnota van december 2023 onvoldoende onderbouwde, werd de vordering afgewezen.

De kantonrechter veroordeelde gedaagde niet tot betaling en liet de proceskosten achterwege.

Uitkomst: De vorderingen van GGP worden afgewezen omdat gedaagde de oorspronkelijke hoofdsom met rente en kosten volledig heeft voldaan.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11422186 \ CV EXPL 24-15111
Vonnis van 24 juni 2025
in de zaak van
GULF GAS AND POWER (GGP B.V.),
gevestigd te 's-Hertogenbosch,
eisende partij,
hierna te noemen: GGP,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde] (h.o.d.n. [handelsnaam] ),
wonend te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 29 oktober 2024 met producties,
- de conclusie van antwoord met producties,
- het instructievonnis van 28 januari 2025,
- de conclusie van repliek,
- de conclusie van dupliek met producties,
- de akte uitlating producties.
1.2.
Vervolgens is er een datum voor vonnis bepaald.

2.De kern

2.1.
GGP levert aan [gedaagde] elektriciteit en gas op basis van een machtigings- dan wel leveringsovereenkomst. [gedaagde] heeft een aantal facturen niet (tijdig) betaald. Partijen hebben een betalingsregeling getroffen op grond waarvan [gedaagde] € 10.000,- aan GGP heeft betaald. Volgens GGP heeft een deel van dat bedrag betrekking op de incassokosten en rente. GGP vordert daarom in deze procedure het restant van de onbetaalde facturen, namelijk € 1.712,46, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over de oorspronkelijk hoofdsom. Verder vordert GGP de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente.
2.2.
Het verweer van [gedaagde] , namelijk dat er te veel kosten en rente zijn gevorderd, slaagt. De kantonrechter wijst de vorderingen af.

3.De beoordeling

3.1.
GGP vordert betaling van € 1.712,46. Volgens GGP is dat het restant van de oorspronkelijke hoofdsom van € 9.933,39 (hierna: de oorspronkelijke hoofdsom), de rente en de kosten. [gedaagde] betwist de hoogte van de vordering en stelt dat GGP de rente en kosten verkeerd heeft berekend. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] de oorspronkelijke hoofdsom volledig heeft betaald en wijst de vorderingen af. Die beslissing wordt hierna uitgelegd.
De oorspronkelijke hoofdsom bedroeg € 8.228,62
3.2.
Uit het lichaam van de dagvaarding blijkt dat de oorspronkelijke hoofdsom is gebaseerd op zeven niet tijdig betaalde voorschotnota’s van april 2023 tot en met december 2023 ter hoogte van € 1.704,77 per nota, verminderd met een bedrag van € 2.000,- in verband met een – niet overgelegde – factuur van 7 november 2023. De oorspronkelijke hoofdsom bedroeg € 9.933,39. De totale oorspronkelijke vordering, inclusief rente en kosten is volgens GGP als volgt opgebouwd:
hoofdsom € 9.933,39
rente tot en met 25 oktober 2024 € 907,40
incassokosten € 871,67
--------------- +
totale oorspronkelijke vordering € 11.712,46
3.3.
[gedaagde] betwist dat de oorspronkelijke hoofdsom € 9.933,39 bedroeg. Volgens [gedaagde] bedroeg de oorspronkelijke hoofdsom namelijk € 8.228,62. [gedaagde] stelt dat het verschil in de berekening komt doordat GGP ook rente en kosten heeft berekend over een factuur van 12 december 2023 ter hoogte van € 35.000,90, terwijl [gedaagde] die factuur in één keer en vóór de vervaldatum heeft voldaan zodat GGP daarvoor geen kosten heeft moeten maken.
3.4.
[gedaagde] verwijst ter onderbouwing van zijn stelling naar een e-mail van 21 november 2023 waaruit blijkt dat de hoofdsom € 8.228,62 bedroeg. GGP stelt dat het aan [gedaagde] is om een deugdelijke administratie te voeren, maar heeft niet onderbouwd waarom de oorspronkelijke hoofdsom € 9.933,39 is. Daarnaast blijkt uit de door GGP overgelegde brief van 27 november 2023 dat partijen op die datum een betalingsregeling hebben getroffen die betrekking heeft op een hoofdsom van € 8.228,62 (tot en met november 2023). De kantonrechter zal dan ook uitgaan van een oorspronkelijk hoofdsom van € 8.228,62 (exclusief rente en kosten).
GGP heeft te veel rente en kosten berekend
3.5.
[gedaagde] betwist verder de hoogte van de gevorderde rente en kosten. De rente en kosten hadden namelijk over € 8.228,62 en niet over € 9.933,39 berekend moeten worden, zo stelt [gedaagde] . GGP erkent dat er, in verband met de factuur van 12 december 2023, ten onrechte incassokosten en rente zijn berekend. GGP heeft de gevorderde rente en kosten gecorrigeerd zodat de vordering nu wel klopt, aldus GGP. Of de factuur van 12 december 2023 op grond van de algemene voorwaarden direct opeisbaar was, zoals GGP stelt, kan dan ook in het midden blijven.
3.6.
In de brief van 27 november 2023 zijn partijen ten aanzien van de rente en de kosten uitgegaan van de volgende bedragen:
Hoofdsom € 8.228,62
Rente t/m 29 november 2023 € 619,33
Incassokosten € 1.234,29
Dossierkosten € 40,00
-------------- +
Totaal te vorderen € 10.122,24
3.7.
Uit dit overzicht blijkt dat [gedaagde] op het moment van de betalingsregeling
€ 619,33 aan rente verschuldigd was. [gedaagde] heeft niet gemotiveerd onderbouwd waarom de rente over de oorspronkelijke hoofdsom van € 8.228,62 volgens hem onjuist is berekend. De kantonrechter zal dan ook uitgaan van een verschenen rente (tot en met 29 november 2023) van € 619,33.
3.8.
[gedaagde] heeft ook niet gemotiveerd onderbouwd waarom de gevorderde incasso- en dossierkosten volgens hem onjuist zijn berekend. Aangezien het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) op de overeenkomst van toepassing is moet de kantonrechter echter ambtshalve toetsen of de gevorderde kosten in lijn zijn met het Besluit. De incassokosten van € 1.234,29 c.q. € 871,67 zijn hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. Dat tarief bedraagt namelijk € 786,43. Daarnaast kunnen dossierkosten niet apart in rekening gebracht worden.
3.9.
Uit het bovenstaande blijkt dat de vordering van GGP op het moment dat partijen de betalingsregeling troffen € 9.634,38 bedroeg (€ 8.228,62 aan oorspronkelijke hoofdsom,
€ 619,33 aan rente en € 786,43 aan incassokosten). De kantonrechter zal bij de beoordeling dan ook uitgaan van dit bedrag.
[gedaagde] heeft de oorspronkelijke hoofdsom (met rente en kosten) betaald
3.10.
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] met betrekking tot de oorspronkelijke hoofdsom, in termijnen van € 2.000,- per maand, een bedrag van € 10.000,- aan GGP heeft betaald.
3.11.
GGP stelt dat de betaalde € 10.000,- op grond van artikel 6:44 Burgerlijk Pro Wetboek (BW), primair in mindering strekt op de kosten, vervolgens op de rente en tot slot op de (oudste) hoofdsom. Uitgaande van een totale vordering van € 11.712,46, resteert volgens GGP nog een bedrag van € 1.712,46. [gedaagde] betwist niet dat de kosten primair in mindering strekken op de kosten en de rente. [gedaagde] betwist wel dat het restant van de vordering € 1.712,46 bedraagt.
3.12.
Uit het voorgaande blijkt dat GGP op 29 november 2023 een vordering van
€ 9.634,38 op [gedaagde] had. Aangezien [gedaagde] op grond van de betalingsregeling
€ 10.000,- aan GGP heeft betaald en aangezien dat bedrag op grond van artikel 6:44 BW Pro in mindering strekt op de kosten, rente en vervolgens op de
oudstevordering, heeft [gedaagde] de vordering van € 9.634,38, volledig voldaan.
3.13.
Dat GGP ook na 29 november 2023 rente van [gedaagde] kon vorderen en dat de betalingen van [gedaagde] als eerste in mindering op de rente strekken doet daar niets aan af.
Uit de dagvaarding blijkt namelijk dat die betalingen hebben plaatsgevonden tussen 4 december 2023 en 2 mei 2024, zodat de rente niet hoog is opgelopen. Daarnaast heeft [gedaagde] € 365,62 meer aan GGP betaald dan hij op grond van de oorspronkelijke hoofdsom (inclusief rente en kosten) verschuldigd was, zodat kan worden aangenomen dat [gedaagde] ook de rente over de periode van 30 november 2023 tot 2 mei 2024 aan GGP heeft betaald.
3.14.
Dat GGP na 29 november 2023 eventueel meer dan € 9.624,38 van [gedaagde] te vorderen had zoals de voorschotnota van december 2023 die GGP heeft vermeld in de berekening van de oorspronkelijke hoofdsom, verandert er ook niets aan dat [gedaagde] de oorspronkelijke hoofdsom (met rente en kosten) volledig heeft voldaan. De voorschotnota van december 2023 is immers pas ná 29 november 2023 opeisbaar geworden en de betalingen van [gedaagde] strekten steeds op de
oudstevordering, namelijk de oorspronkelijke hoofdsom en de rente en kosten daarover.
De voorschotnota van december 2023
3.15.
Uit de facturen waar GGP naar verwijst in haar berekening van de oorspronkelijke hoofdsom blijkt dat GGP stelt dat [gedaagde] de voorschotnota van december 2023 ter hoogte van € 1.704,77 niet heeft betaald. [gedaagde] heeft de hoogte van de vordering betwist, maar betwist niet dat hij de voorschotnota van december 2023 onbetaald heeft gelaten.
3.16.
Nu [gedaagde] meer dan de oorspronkelijke hoofdsom (inclusief verschenen rente en kosten) aan GGP heeft betaald, is – hoewel de betalingen eerst in mindering strekten op de rente die na 29 november 2023 is opgelopen – niet begrijpelijk waarom dan nog steeds een bedrag gelijk aan de volledige voorschotnota openstaat. Het had op de weg gelegen van GGP om dit nader te onderbouwen. Nu GGP dit heeft nagelaten moet haar vordering worden afgewezen.
De wettelijke handelsrente over de oorspronkelijke hoofdsom is al betaald
3.17.
GGP vordert dat [gedaagde] de wettelijke handelsrente betaalt over de oorspronkelijke hoofdsom. GGP heeft haar vordering opgesplitst in verschenen rente tot en met 25 oktober 2024 en rente vanaf 26 oktober 2024. De kantonrechter wijst de gevorderde rente af. Dat wordt als volgt toegelicht.
3.18.
[gedaagde] heeft de facturen te laat betaald en is daarom in verzuim. [gedaagde] moet daarom rente betalen. De overeenkomst kwalificeert als handelsovereenkomst en de vordering vloeit voort uit de handelsovereenkomst, zodat de wettelijke handelsrente verschuldigd is.
3.19.
Uit het lichaam van de dagvaarding blijkt dat GGP € 907,40 aan verschenen rente tot en met 25 oktober 2024 vordert. Zoals hiervoor overwogen staat vast dat [gedaagde] de verschenen rente over de oorspronkelijke hoofdsom al heeft betaald. De gevorderde verschenen rente wordt dan ook afgewezen.
3.20.
Daarnaast vordert GGP in het petitum de wettelijke handelsrente over de oorspronkelijke hoofdsom vanaf 26 oktober 2024. Aangezien [gedaagde] de vordering op dat moment al had voldaan, wordt ook deze vordering afgewezen.
3.21.
Op grond van het voorgaande volgt dat niet kan worden aangenomen dat [gedaagde] nog een geldbedrag verschuldigd is aan GGP. Nu de proceskosten van [gedaagde] op nihil worden begroot zal een veroordeling in de proceskosten achterwege blijven.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
wijst de vorderingen af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T. Beuving, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier op 24 juni 2025.
64183