ECLI:NL:RBAMS:2025:4814

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 juli 2025
Publicatiedatum
10 juli 2025
Zaaknummer
11562899 EA VERZ 25-203
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om billijke vergoeding na opzegging dienstverband wegens langdurige ziekte en arbeidsconflict

In deze zaak verzoekt een werknemer om een billijke vergoeding na de opzegging van haar dienstverband na twee jaar ziekte. De werknemer, werkzaam als docent Duits op De Vinse School, heeft gedurende haar dienstverband herhaaldelijk klachten geuit over intimidatie en ongewenst gedrag van een conciërge. Ondanks deze klachten heeft de werkgever, Stichting ZAAM, volgens de werknemer onvoldoende actie ondernomen, wat heeft geleid tot haar langdurige ziekte. De kantonrechter heeft de verzoeken van de werknemer om een verklaring voor recht dat de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en om een billijke vergoeding afgewezen. De rechter oordeelt dat de werkgever niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, omdat er voldoende stappen zijn ondernomen om de klachten van de werknemer te adresseren. De werknemer heeft wel recht op betaling van openstaande verlofdagen, die de werkgever niet tijdig heeft uitbetaald. De rechter heeft de werkgever veroordeeld tot betaling van deze verlofdagen met een wettelijke verhoging en rente. De proceskosten zijn gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 11562899 \ EA VERZ 25-203
Beschikking van 8 juli 2025
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. A.M.W.A. van der Hoeven,
tegen
de stichting
STICHTING ZAAM, INTERCONFESSIONEEL VOORTGEZET ONDERWIJS,
gevestigd te Amsterdam,
verwerende partij,
hierna te noemen: Stichting ZAAM of De Vinse School,
gemachtigde: mr. J.A. Keijser.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met 21 producties van 21 februari 2025,
- het verweerschrift met 10 producties van 30 mei 2025,
- de nadere producties 22 en 23 van de zijde van [verzoeker] ,
- de nadere producties 11 tot en met 13 van De Vinse School.
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 10 juni 2025. [verzoeker] is verschenen met haar zoon [naam 1] , eveneens werkzaam op De Vinse School, en werd bijgestaan door mr. Van der Hoeven. Namens De Vinse School zijn verschenen [naam 2] , directeur van De Vinse School, [naam 3] , directie-adviseur Stichting ZAAM, en [naam 4] , beleidsmedewerkster, bijgestaan door mr. Keijser. [naam 1] en [naam 4] hebben slechts een (klein) deel van de mondelinge behandeling bijgewoond, vanwege de mogelijkheid dat zij als getuige kunnen worden opgeroepen. Partijen hebben hun standpunten aan de hand van spreekaantekeningen toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Na verder debat is beschikking gevraagd en is de datum voor de beschikking bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Stichting ZAAM bestaat uit 23 scholen, waaronder de Vinse School, een middelbare school in Amsterdam. De Vinse School heeft vier locaties: de Haarlemmerstraat, de Palmstraat, de Polonceau-kade en de Passeerdersgracht.
2.2.
De Vinse School is in 2015 mede door wijlen [naam 5] opgericht. Zij was directrice van De Vinse School en gaf daar ook les. De school is gebaseerd op inzichten uit het Finse onderwijs en de schooltijd staat in het teken van kunst en cultuur en van vrijheid en verantwoordelijkheid.
2.3.
[verzoeker] was van 6 maart 2017 tot en met 31 december 2024 werkzaam als docent Duits op de Vinse School. Haar laatst verdiende salaris op basis van een werkweek van 28,5 uren bedroeg € 4.104,83 bruto vermeerderd met 8% vakantietoeslag en een eindejaarsuitkering van 8,33%. Op de arbeidsrelatie tussen partijen was de cao Voortgezet Onderwijs van toepassing.
2.4.
De ex-partner van [verzoeker] is als conciërge werkzaam op de Vinse School. Een zoon van [verzoeker] , [naam 1] , is ook werkzaam op De Vinse School.
2.5.
Bij e-mail van 20 juni 2021 heeft [verzoeker] zich gewend tot [naam 5] met een klacht over een bepaalde conciërge (niet zijnde de ex-partner van [verzoeker] en hierna genoemd: de conciërge). In die e-mail beschrijft [verzoeker] een incident met die conciërge op de locatie in de [locatie] en geeft zij aan, samengevat, zich onveilig te voelen in de buurt van die conciërge. Naar aanleiding van deze klacht is er een gesprek geweest tussen [verzoeker] , [naam 5] en de conciërge.
2.6.
Bij e-mail van 25 januari 2022 heeft [verzoeker] [naam 5] bericht over een incident met dezelfde conciërge en geschreven dat ze de dag ervoor een heel vervelende dag met de conciërge heeft gehad en [naam 5] om advies gevraagd over hoe hiermee om te gaan. Vrijdag 28 januari 2022 hebben [verzoeker] en [naam 5] elkaar gesproken.
2.7.
Bij e-mail van 10 juni 2022 heeft [verzoeker] [naam 5] bericht over een aantal incidenten met de conciërge die drie weken daarvoor en die dag waren gebeurd. Verder schrijft [verzoeker] in die e-mail dat de conciërge grensoverschrijdend gedrag naar haar toe vertoont. Bij e-mail van diezelfde dag heeft [naam 5] gereageerd.
2.8.
Twee dagen later, met de e-mail van 12 juni 2022, heeft [verzoeker] zich ziekgemeld bij [naam 5] .
2.9.
[verzoeker] heeft ongeveer een maand daarna, op 13 juli 2022, een gesprek gehad met de bedrijfsarts. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de bedrijfsarts een rapportage aan de De Vinse School gestuurd en een notitie gemaakt in het medische dossier van [verzoeker] .
In de rapportage aan De Vinse School van dezelfde datum oordeelt de bedrijfsarts dat [verzoeker] niet in staat is om te werken en dat partijen in gesprek dienen te gaan al dan niet met behulp van een derde om het gevoel van onveiligheid bij [verzoeker] weg te nemen. In het medische dossier noteert de bedrijfsarts over het gesprek met [verzoeker] op 13 juli 2022 het volgende:

(…)
Werknemer voelt zich gepest door de concierge en krijgt geen gehoor bij de schoolleiding. Ze moet overgeven als ze naar school moet.
Ze krijgt geen hulp en geen gehoor en voelt zich onveilig. Het is zelf uit de hand gelopen en ze is ook helemaal uit haar dak gegaan. Er is een gesprek geweest met de leiding met iemand anders erbij dan werd afgesproken. Ze heeft last van angsten en slaapproblemen. Heeft van de huisarts een oxazepam.
C/ werknemer voelt zich gepest en heeft daardoor gezondheidsklachten.
(…)”.
2.10.
Na de zomervakantie van 2022 hebben [verzoeker] en [naam 5] een gesprek gehad in aanwezigheid van [naam 6] , hoofd Nederlands op De Vinse School. Van dit gesprek is een gespreksverslag gemaakt. [verzoeker] vindt dat verslag niet in overeenstemming met de inhoud van dat gesprek.
2.11.
[naam 5] is in oktober 2022 uitgevallen met gezondheidsklachten.
2.12.
[verzoeker] heeft op 31 oktober 2022 weer een gesprek met de bedrijfsarts gehad. De bedrijfsarts heeft De Vinse School met de rapportage van dezelfde dag over dit gesprek geschreven dat het geleidelijk wat beter gaat met [verzoeker] en partijen geadviseerd [verzoeker] de gelegenheid te geven te hervatten met lesgeven voor 2,4 uur per dag en in onderling overleg een opbouwschema te maken waarbij [verzoeker] in drie maanden met vaste stappen teruggroeit naar haar werkuren. In het medisch dossier van [verzoeker] noteert de bedrijfsarts over dit gesprek het volgende:

Betrokkene deelt een gedetailleerd verhaal waarin zij vertelt geconfronteerd te zijn met ongewenst omgangsvormen van de conciërge op haar school, wat zich uitte in (…) intimidatie en andere ongepaste gedragingen. Helaas heeft zij weinig tot geen ondersteuning gekregen van het schoolmanagement. Er heeft weliswaar een gesprek plaatsgevonden met de vertrouwenspersoon, als gevolg daarvan is de betrokkene momenteel bezig met re-integratie op een andere school[ander locatie van De Vinse School, ktn]
.
Het is duidelijk dat de betrokkene te kampen heeft met psychische klachten, waarbij ook een depressieve ondertoon merkbaar is, naast de werkgerelateerde problemen. Haar wens is om op geleidelijke en rustige wijze weer op te bouwen, dit is m.i. redelijk, (…)”.
2.13.
[verzoeker] is vervolgens gestart met re-integratiewerkzaamheden op een andere locatie van De Vinse School, maar kort daarna opnieuw volledig uitgevallen.
2.14.
In een rapportage aan De Vinse School van het gesprek van 10 november 2022 schrijft de bedrijfsarts dat [verzoeker] rustig was gestart met het oppakken van werkzaamheden, dit niet goed ging, [verzoeker] een toename van gezondheidsklachten ontwikkelde en zij opnieuw is uitgevallen. In het medisch dossier van [verzoeker] noteert de bedrijfsarts over het gesprek met [verzoeker] op 10 november 2022:

Zoals afgesproken dat zij s betrokkene met het rustig oppakken van werkzaamheden maar helaas verliep dit niet zoals gepland. Ze werd onmiddellijk geconfronteerd met pesterijen, wat leidde tot een toename van klachten.
Hierdoor is zij opnieuw uitgevallen.
Nu te aangeslagen om werkzaamheden te verrichten.
2.15.
Op 14 november 2022 rapporteert de bedrijfsarts aan De Vinse School, voor zover van belang, dat tijdens het spreekuur duidelijk is geworden dat het matig gaat met [verzoeker] en werken niet mogelijk is. In het medisch dossier van [verzoeker] noteert van de bedrijfsarts over dat gesprek het volgende:

Zit trillend voormij, duidelijk erg gespannen, wilde gaan terugkomen in de Vinse School, werd hier geconfronteerd met negatieve uitlatingen over haar functioneren door collega’s die dit gehoord hebben van haar leidinggevende. Kon hier niet meer tegen en is naar huis gegaan. Duidelijk fors aangeslagen,
Hoe nu verder? Dat is een lastige vraag, (…)”.
2.16.
De bedrijfsarts ziet [verzoeker] weer op het spreekuur van 5 december 2022. De bedrijfsarts rapporteert op 5 december 2022 aan De Vinse School dat sprake is van ziekte waardoor [verzoeker] niet kan werken en er tevens sprake is van een arbeidsconflict. Verder staat in die rapportage dat de bedrijfsarts van partijen heeft begrepen dat er een gesprek is geweest over de problematiek, maar dat er nog geen oplossing is bereikt en het verstandig kan zijn met een externe derde erbij nogmaals in gesprek te gaan. In het medisch dossier noteert de bedrijfsarts over het gesprek met [verzoeker] op 5 december 2022 het volgende:

Het wordt steeds duidelijker dat er naast de psychische klachten duidelijk sprake is van een arbeidsconflict. (…) dit met betrokkene besproken en conform rond arbeidsconflicten enerzijds te erkennen dat er sprake is van ziekte en daarbij passende beperkingen anderzijds partijen te adviseren te streven aar een oplossing van het conflict, dit met een derde partij erbij, (…)”.
2.17.
Op 14 december 2022 is op de school een gesprek geweest tussen [verzoeker] , [naam 3] , directie-adviseur van Stiching ZAAM, en [naam 7] , decaan HAVO/VWO op de Vinse School en tevens vertrouwenspersoon van ZAAM. In dat gesprek is gesproken over een vaststellingsovereenkomst. [verzoeker] heeft meerdere keren aan [naam 7] om een gespreksverslag gevraagd. Ondanks meerdere toezeggingen heeft [verzoeker] geen uitgewerkt gespreksverslag ontvangen, maar wel foto’s van de handgeschreven notities van [naam 7] , die slecht leesbaar zijn.
2.18.
Naar aanleiding van dat gesprek heeft [naam 3] op 23 december 2022 aan de bedrijfsarts gemeld dat hij zich zorgen maakt om [verzoeker] en zich afvraagt of het niet goed is [verzoeker] te verwijzen naar een psycholoog. De bedrijfsarts heeft dit vervolgens met [verzoeker] besproken en zij heeft gemeld hier ook voor te voelen.
2.19.
[verzoeker] heeft zich vervolgens tot een psycholoog gewend bij wie zij in maart 2023 is gestart met EMDR-therapie.
2.20.
De bedrijfsarts schrijft De Vinse School op 16 januari 2023 dat [verzoeker] op het spreekuur is geweest, dat het matig gaat met [verzoeker] en werken op dit moment niet mogelijk is.
2.21.
Op 6 maart 2023 schrijft de bedrijfsarts aan De Vinse School dat [verzoeker] op zijn spreekuur was, dat het matig gaat met [verzoeker] , dat werken op dit moment niet mogelijk is, dat [verzoeker] binnenkort start met passende therapie en het wachten is op het effect daarvan.
In het medisch dossier van [verzoeker] noteert de bedrijfsarts van het gesprek met [verzoeker] op 6 maart 2022 het volgende:

(…) ze ervaart angstaanvallen wanneer ze denkt aan het hervatten van haar werk. Deze gedachten roepen intense emoties en angst op, en ze twijfelt of ze ooit in staat zal zijn om terug te keren. Het plan is om eerst de psycholoog te raadplegen, aangezien het duidelijk is dat ze momenteel niet in staat is om werkzaamheden uit te voeren.
2.22.
[naam 5] is in februari 2023 overleden.
2.23.
Op 17 april 2023 schrijft de bedrijfsarts aan De Vinse School dat hij [verzoeker] weer op het spreekuur heeft gezien en dat het niet goed met haar gaat, zij nu uitgebreid wordt behandeld en het wachten is op het effect van de behandeling. Verder schrijft de bedrijfsarts dat er nog zoveel beperkingen spelen dat werken niet mogelijk is. In het medisch dossier van [verzoeker] noteert de bedrijfsarts van het gesprek op 17 april 2023:

Bbetrokkene vertelt dat de werkgever geen mediation wil overwegen. (…) Momenteel gaat het matig met betrokkene waarbij een goed te ervaren boosheid een rol speelt. (…)”.
2.24.
Op 22 mei 2023 heeft de bedrijfsarts het volgende geschreven aan de psycholoog van [verzoeker] :

Mevrouw [verzoeker] wordt door jou begeleid i.v.m. psychische klachten. Er is veel gebeurd op de school waar zij werkt. Ik heb eerder aangegeven dat er enerzijds sprake is van psychische klachten waardoor betrokkene niet meer kan werken en anderzijds sprake is van een arbeidsconflict. Ik heb dan ook aangedrongen op onderling overleg met een mediator daarbij. De werkgever voelt hier niet voor. De directeur waar het conflict mee speelde is recent overleden. Mevrouw [verzoeker] ziet zich niet meer terugkeren binnen de school en is druk met het in Duitsland te trachten een nieuw leven op te bouwen.
Ik begrijp dat werkgever aandringt op een VSO en haar in haar ogen weinig wil meegeven.
Ik kan mij voorstellen dat zij niet meer kan terugkeren naar de school daar dit mogelijk tot gezondheidsschade leidt door triggering van haar klachten. Als dat zo is, kan ik in ieder geval aangeven dat terugkeer naar de eigen werkplek niet mogelijk is en aandringen op een re-integratie in de tweede lijn.
Wat vindt jij? En wat is je diagnose? Ik denk zelf aan traumatische klachten in combinatie met depressieve klachten/levensfaseproblematiek.”.
2.25.
De psycholoog heeft als volgt geantwoord: “
Ik deel jouw visie. ER is sprake van traumatische klachten, angst- en depressieve klachten. Terugkeer is m.i. ook geen optie meer, er is teveel beschadigd in vertrouwensrelatie met werkgever.
2.26.
Vervolgens heeft de bedrijfsarts gevraagd of dit voor alle scholen van Stichting ZAAM geldt of alleen voor De Vinse School. Waarop de psycholoog heeft geantwoord: “
Ik schat in dat dit ook wel een beetje voor heel Zaam geldt, ook aangezien er iets in het vertrouwen met mensen van het bestuurskantoor (HR, VP, etc) is beschadigd. (…)”.
2.27.
Bij brief van 13 oktober 2023 heeft [verzoeker] Stichting Zaam aansprakelijk gesteld voor (im)materiële schade die zij heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden.
2.28.
[verzoeker] heeft een WIA-uitkering aangevraagd en met ingang van 15 juni 2024 is aan [verzoeker] een WIA-uitkering toegekend door het UWV gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 49,08%. Het UWV heeft de re-integratie inspanningen van De Vinse School als voldoende beoordeeld.
2.29.
De Vinse School heeft aan het UWV toestemming gevraagd de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te mogen opzeggen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. [verzoeker] heeft hiertegen geen verweer gevoerd bij het UWV. Op 11 oktober 2024 heeft het UWV toestemming verleend en De Vinse School heeft vervolgens de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] opgezegd per 1 januari 2025.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt:
I. een verklaring voor recht dat De Vinse School jegens haar ernstig verwijtbaar heeft gehandeld;
II. De Vinse School te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 160.145,85 bruto, althans een in goede justitie te bepalen billijke vergoeding;
III. De Vinse School te veroordelen tot betaling van 16 openstaande verlofdagen, op basis van een deugdelijke bruto-netto specificatie, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf een maand na de datum van deze uitspraak tot dag van volledige betaling;
IV. De Vinse School te veroordelen in de proces- en nakosten.
3.2.
[verzoeker] stelt hiertoe, voor zover voor de beoordeling van belang, het volgende. Vanaf juni 2021 heeft [verzoeker] aan [naam 5] klachten geuit over agressief, intimiderend en overschrijdend gedrag van de conciërge. [naam 5] heeft haar klachten genegeerd en zelfs de klachten met de conciërge en andere collega’s gedeeld en hen tegen [verzoeker] opgezet. [verzoeker] is het lesgeven onmogelijk gemaakt en zij werd getreiterd. Drie keer bleek de DVD-speler in haar lokaal stuk te zijn, er verdween lesmateriaal en de conciërge viel haar lastig tijdens het lesgeven. Ook verstopte de conciërge lesmateriaal en liep hij op storende wijze langs het leslokaal van [verzoeker] . [verzoeker] wilde camera’s op school vanwege onregelmatigheden, maar [naam 5] en de conciërge wilden dat niet. Toen [verzoeker] een leerling apart had gezet om te kunnen werken, werd de leerling door de conciërge naar een andere ruimte weggestuurd. Ondanks een verzoek daartoe is er nooit een gesprek gekomen tussen [verzoeker] , [naam 5] en de conciërge. Collega’s zijn [verzoeker] gaan negeren. [verzoeker] kreeg ook steeds meer last van het gedrag van [naam 5] . Zij kwam vaak onverwacht haar lessen binnen en schreeuwde dan tegen [verzoeker] . Tijdens een VWO-examen Duits schreeuwde [naam 5] tegen haar om 1 minuut over 9 dat heel Nederland al aan het examen was begonnen, behalve de leerlingen van [verzoeker] . Tijdens een hybride les pakte [naam 5] de camera van de pc van [verzoeker] af. [verzoeker] heeft van iemand die bij haar stage liep gehoord dat [naam 5] en andere collega’s negatief over haar spraken als zij niet op school was. De Vinse School heeft [verzoeker] laten vallen. De partner van [verzoeker] was ook werkzaam op De Vinse School. Door de situatie op school is de relatie met haar partner uitgegaan.
3.3.
De Vinse School heeft, samengevat en voor zover voor de beoordeling van belang, als volgt verweer gevoerd. De conciërge kan wat hoekig reageren maar staat binnen de Vinse School bekend als collegiaal, ijverig en dienstbaar. De conciërge betwist dat hij [verzoeker] heeft gepest. De verwijten die [verzoeker] de conciërge maakt zijn zonder nadere toelichting moeilijk te plaatsen. Het beweerdelijke wangedrag door de conciërge is niet herkend door collega’s vanuit het facilitaire team noch vanuit het docententeam. Het is niet goed voorstelbaar dat deze teams niet op enigerlei wijze betrokken zouden zijn geweest of van zich zouden hebben laten horen als men de zaken had waargenomen die [verzoeker] stelt. Dat [naam 5] in het beweerde gedrag van de conciërge geen wangedrag heeft gezien, betekent niet dat zij de klachten van [verzoeker] niet serieus heeft genomen. De Vinse School ontkent en betwist het gestelde wangedrag van [naam 5] , waarbij moet worden opgemerkt dat [naam 5] zichzelf niet meer kan verdedigen. [naam 5] kon fel zijn maar zij schreeuwde nooit tegen collega’s en stormde ook geen klaslokalen binnen om haar gram te halen. [naam 5] is verschillende keren in gesprek gegaan met [verzoeker] en heeft ingestemd met het verzoek van [verzoeker] om op een andere locatie van De Vinse School les te gaan geven. De Vinse School is geschrokken van de gezondheidssituatie van [verzoeker] zoals die uit de notities van de bedrijfsarts in haar medische dossier naar voren komt. De verzuimrapportages toonden een aanmerkelijk minder heftig beeld. De Vinse School hoefde niet bedacht te zijn dat [verzoeker] op zo’n heftige wijze reageerde op haar beleving van de dingen. Het is De Vinse School echter niet (ernstig) verwijtbaar dat zij daar niet mee bekend was. Stichting Zaam erkent de door [verzoeker] gestelde vakantiesaldo en heeft de loonwaarde daarvan inmiddels aan [verzoeker] uitbetaald.

4.De beoordeling

4.1.
De grondslag van de vordering van [verzoeker] is artikel 7:682 lid 1 sub c jo artikel 7:669 lid 3 onderdeel b BW: de kantonrechter kan aan de werknemer van wie het dienstverband is opgezegd – samengevat – na twee jaar ziekte, een billijke vergoeding toekennen indien de opzegging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Voorop staat dat voor toekenning van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:682 lid 1 sub c BW vereist is, dat sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin de werkgever haar verplichtingen grovelijk heeft veronachtzaamd, en voorts dat de opzegging wegens langdurige arbeidsongeschiktheid
het gevolgis van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van der werkgever.
4.2.
In de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3, p. 34.) wordt als voorbeeld genoemd de situatie dat een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat. Te denken is hierbij aan de situatie waarin de werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte ernstig heeft veronachtzaamd. Een ander voorbeeld is de situatie waarin een werknemer arbeidsongeschikt is geworden (en uiteindelijk wordt ontslagen) als gevolg van verwijtbaar onvoldoende zorg van de werkgever voor de arbeidsomstandigheden.
4.3.
De pesterijen die [verzoeker] in haar verzoekschrift heeft benoemd zijn door De Vinse School voldoende gemotiveerd weersproken, zodat (juridisch) niet van de juistheid van de stellingen van [verzoeker] kan worden uitgegaan. Dat neemt echter niet weg dat als een werknemer pestgedrag ervaart, ongeacht of dat terecht is of niet, en zich ziekmeldt op de werkgever de plicht rust om hier adequaat op te handelen.
4.4.
Naar aanleiding van de klacht van [verzoeker] in juni 2021 over de conciërge is [naam 5] in gesprek gegaan met [verzoeker] en de conciërge. Volgens [verzoeker] heeft [naam 5] de conciërge bewust tegen haar opgezet naar aanleiding van deze klacht, maar dat dit het geval is geweest is niet vast komen te staan. Het initiëren van een driegesprek duidt er echter wel op dat [naam 5] de klacht van [verzoeker] heeft opgepakt. Ook naar aanleiding van de klacht van [verzoeker] in januari 2022 is er een gesprek geweest tussen haar en [naam 5] .
4.5.
De bedrijfsarts heeft partijen in juni 2022 geadviseerd om al dan niet met een derde in gesprek te gaan om het gevoel van onveiligheid bij [verzoeker] weg te nemen. De Vinse School heeft aan dit advies opvolging gegeven door een gesprek te initiëren tussen [verzoeker] en [naam 5] in aanwezigheid van een derde. [verzoeker] betwist dat het gespreksverslag van dat gesprek in overeenstemming is met de inhoud van dat gesprek. Wat daar ook van zij, kennelijk heeft dat gesprek er mede toe geleid dat [verzoeker] in oktober 2022 is gestart met re-integreren. De re-integratie vond, mede op verzoek van [verzoeker] , plaats op een andere locatie van De Vinse School, waar de conciërge in beginsel geen werkzaamheden verrichte, met de bedoeling dat [verzoeker] voortaan zo veel als mogelijk op die locatie zou gaan lesgeven. [verzoeker] heeft ter zitting verteld dat zij ook op de andere locatie een keer de conciërge is tegengekomen. De Vinse School heeft daarop meegedeeld dat de conciërge sporadisch weleens op de andere locatie kwam, om bijvoorbeeld een pakket af te geven. Door [verzoeker] zo veel als mogelijk op een andere locatie te laten werken, heeft De Vinse School gedaan wat van haar mocht worden verwacht. Achteraf is gebleken, zo blijkt uit de notities van de bedrijfsarts in het medisch dossier van [verzoeker] , is niet (alleen) het contact met de conciërge reden geweest dat [verzoeker] opnieuw is uitgevallen, maar ook het gevoel van [verzoeker] dat collega’s zich achter haar rug om negatief over haar functioneren uitlieten. Volgens [verzoeker] heeft [naam 5] dit tegen haar collega’s gezegd.
4.6.
Wellicht dat dit gevoel van [verzoeker] in mediation besproken had kunnen worden, maar dat het niet tot mediation is gekomen, kan De Vinse School niet worden verweten. Nadat [verzoeker] opnieuw was uitgevallen heeft de bedrijfsarts partijen in december 2022 geadviseerd met een externe derde opnieuw in gesprek te gaan. Onduidelijk is wat de bedrijfsarts precies heeft bedoeld met een externe derde, omdat in zijn advies aan de werkgever het woord mediator of mediation niet voorkomt. De Vinse School heeft in zoverre opvolging gegeven aan het advies van de bedrijfsarts door een gesprek te initiëren tussen [naam 3] , verbonden aan Stichting ZAAM, maar niet direct betrokken bij De Vinse School, en [verzoeker] . Een gesprek met [naam 5] erbij was niet mogelijk, omdat die toen al ziek was uitgevallen. [naam 3] kreeg tijdens het gesprek de indruk dat het erg slecht ging met [verzoeker] en heeft na het gesprek contact opgenomen met de bedrijfsarts en aan de bedrijfsarts gevraagd of het niet beter is dat [verzoeker] in gesprek gaat met een psycholoog. De bedrijfsarts heeft daarop contact opgenomen met [verzoeker] en zij is vervolgens in maart 2023 in behandeling gegaan bij een psycholoog. Mediation is vervolgens op de achtergrond geraakt. Weliswaar blijkt uit een notitie van de bedrijfsarts in het medisch dossier dat [verzoeker] in april 2023 tegen de bedrijfsarts heeft gezegd dat De Vinse School niet in mediation wil, maar in de daaropvolgende terugkoppeling adviseert de bedrijfsarts partijen niet om in mediation te gaan.
4.7.
Dat het daarna steeds slechter ging met [verzoeker] kan De Vinse School niet worden verweten. Weliswaar ontstaat uit de notities in het medisch dossier het beeld dat de bedrijfsarts goed door had dat het slechter ging met [verzoeker] en waar het pijnpunt zat. Maar de bedrijfsarts heeft dat slechts karig in zijn rapportages aan De Vinse School teruggekoppeld, waardoor De Vinse School te weinig informatie had om daar adequaat op te reageren. De Vinse School heeft als werkgever immers geen inzage in het medisch dossier van haar werkneemster.
4.8.
Omdat [verzoeker] haar medisch dossier heeft ingebracht in deze procedure, is De Vinse School toen bekend geworden met de volledige inzichten van de bedrijfsarts. Terecht heeft De Vinse School dus aangevoerd dat uit de notities van de bedrijfsarts in het medisch dossier van [verzoeker] blijkt dat het veel slechter ging met [verzoeker] dan dat De Vinse School aan de hand van de terugkoppelingen van de bedrijfsarts kon weten.
4.9.
[verzoeker] heeft het gevoel dat De Vinse School haar heeft laten vallen. Maar gelet op wat hierboven is geoordeeld kan die conclusie niet worden getrokken.
4.10.
Bovenstaande betekent dat niet aan de onder 4.1 genoemde maatstaf is voldaan en het verzoek van [verzoeker] om toekenning van een billijke vergoeding zal worden afgewezen.
4.11.
De Vinse School erkent dat [verzoeker] nog recht heeft op betaling van de verzochte 16 verlofdagen, zij het dat zij op de mondelinge behandeling heeft meegedeeld dat deze inmiddels aan [verzoeker] zijn betaald, althans zullen worden betaald. Omdat onduidelijk is of De Vinse School de verlofdagen daadwerkelijk heeft betaald, zal dit verzoek worden toegewezen. De Vinse School heeft zonder grond de bij het einde van het dienstverband nog openstaande verlofdagen niet tijdg aan [verzoeker] betaald. De verzochte wettelijke verhoging zal daarom worden toegewezen. In de gegeven omstandigheden ziet de kantonrechter aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot 25%. Ook de wettelijke rente over de verlofdagen is toewijsbaar.
4.12.
Gelet op de uitkomst van deze zaak zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt Stichting ZAAM om binnen veertien dagen na heden tot betaling van 16 openstaande verlofdagen op basis van een deugdelijke bruto-netto specificatie te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 25% en de wettelijke rente vanaf 8 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.3.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.J. Otten, kantonrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2025.