Verzoeker heeft bij de rechtbank Amsterdam een verzoek ingediend tot schadevergoeding en vergoeding van kosten van rechtsbijstand in verband met zijn overleveringsdetentie op grond van een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door Duitsland. De verzoeken zijn op 17 maart 2025 ingediend en betreffen onder meer vergoeding voor vrijheidsbeneming, geannuleerde vakantie en reiskosten.
De rechtbank heeft op 3 juli 2025 een zitting gehouden waarbij verzoeker en de officier van justitie zijn gehoord. De raadsman van verzoeker was niet aanwezig. De officier van justitie stelde zich primair op het standpunt dat het verzoek te laat was ingediend, aangezien de overleveringsprocedure op 7 augustus 2024 was geëindigd en het verzoek uiterlijk drie maanden daarna had moeten worden ingediend. Subsidiair stelde zij dat er geen sprake was van een weigering van overlevering, waardoor het verzoek niet-ontvankelijk zou zijn.
De rechtbank laat de vraag of het verzoek tijdig is ingediend in het midden, maar oordeelt dat er geen sprake is van een weigering van overlevering of een daarmee gelijk te stellen situatie. Hierdoor is verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoeken tot schadevergoeding en vergoeding van kosten van rechtsbijstand. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open binnen een maand na betekening.