ECLI:NL:RBAMS:2025:5474

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 juli 2025
Publicatiedatum
24 juli 2025
Zaaknummer
1316269622
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het voorhanden hebben van hasjiesj en witwassen met onherstelbaar vormverzuim

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 11 juli 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van het voorhanden hebben van 51,19 kilogram hasjiesj en witwassen van een geldbedrag van 108.175 euro. De rechtbank constateerde dat er sprake was van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, maar besloot dat dit geen verdere consequenties voor de bewijsvoering had. De verdachte werd veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 14 maanden, met aftrek van het voorarrest. De rechtbank oordeelde dat de verdachte opzettelijk aanwezig had gehad een aanzienlijke hoeveelheid hasjiesj, en dat het geldbedrag afkomstig was uit enig misdrijf. De rechtbank hield rekening met de overschrijding van de redelijke termijn en de onherstelbare vormverzuimen bij de strafoplegging. De verdachte werd vrijgesproken van het medeplegen van de feiten, omdat er onvoldoende bewijs was voor nauwe en bewuste samenwerking met anderen. De uitspraak benadrukt de ernst van de feiten en de impact op de volksgezondheid door de handel in drugs.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/162696-22
Datum uitspraak: 11 juli 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP adres] ,
hierna: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 juni 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B. Grünfeld, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. C.C. Polat, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
Feit 1
hij op of omstreeks 28 juni 2022, te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (van) een geldbedrag van (in totaal) 108.175 euro, in elk geval een (groot) geldbedrag,
Sub a
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)
Sub b
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;
Feit 2hij op of omstreeks 28 juni 2022 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 51,49 kilogram hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Met betrekking tot de ingezette dwangmiddelen heeft de officier van justitie zich op het volgende standpunt gesteld. De staandehouding en inbeslagname van de tas hebben onrechtmatig plaatsgevonden. De inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte als gevolg van de staandehouding en de inbeslagname is dermate gering dat kan worden volstaan met de enkele constatering dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), zonder daaraan verdere consequenties te verbinden. Subsidiair is het standpunt dat met een marginale strafvermindering kan worden volstaan.
Volgens de officier van justitie heeft de doorzoeking van de auto en de daaropvolgende doorzoeking van de woning wel rechtmatig plaatsgevonden. De softdrugs en het geldbedrag die in de auto en de woning van verdachte zijn aangetroffen, kunnen voor het bewijs worden gebruikt. Het onder 1 en 2 tenlastegelegde kan dan ook worden bewezen. Wel heeft de officier van justitie verzocht verdachte partieel vrij te spreken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde medeplegen.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen redelijk vermoeden van schuld was op grond waarvan verdachte staande mocht worden gehouden. De staandehouding en daaropvolgend de inbeslagname van de tas, de doorzoeking van de auto en de doorzoeking van de woning van verdachte hebben onrechtmatig plaatsgevonden. Dit zijn onherstelbare vormverzuimen in de zin van artikel 359a Sv en al het (daaruit) verkregen bewijs moet worden gezien als ‘
fruits of the poisonous tree’.De raadsman heeft bepleit dat verdachte door de vormverzuimen nadeel heeft ondervonden, namelijk een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Het bewijs dat door de verschillende dwangmiddelen is verkregen moet om die reden worden uitgesloten, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.
De raadsman heeft, afgezien van het vormverzuimverweer, geen verweren gevoerd ten aanzien van de feiten 1 en 2.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vormverzuimen
De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de politie dwangmiddelen onrechtmatig heeft toegepast en zo ja, of sprake is van onherstelbare vormverzuimen in de zin van artikel 359a Sv. De vraag is vervolgens of er rechtsgevolgen aan eventuele vormverzuimen moeten worden verbonden, en zo ja welke. De rechtbank bespreekt dit hierna achtereenvolgens voor (i) de staandehouding en inbeslagname van de tas, (ii) de doorzoeking van de auto, en (iii) de doorzoeking van de woning.
3.3.1.1 De staandehouding en inbeslagname van de tas
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de staandehouding en inbeslagname van de tas met inhoud onrechtmatig was. Dit levert een onherstelbaar vormverzuim op in de zin van artikel 359a Sv.
Bij de vraag of er een rechtsgevolg aan dit vormverzuim moet worden verbonden, moet rekening worden gehouden met (i) het belang van het geschonden voorschrift, (ii) de ernst van het vormverzuim en (iii) het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.
Ten aanzien van (i) oordeelt de rechtbank dat het belang van de geschonden voorschriften is gelegen in het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en bewegingsvrijheid van verdachte. Het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is niet belemmerd. Ten aanzien van (ii) oordeelt de rechtbank dat de ernst van het vormverzuim beperkt is geweest, doordat de staandehouding van korte duur was, dat verdachte enkel is aangesproken door de verbalisanten en dat er geen persoonlijke goederen in de tas zaten. De inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en bewegingsvrijheid was beperkt. Het concrete nadeel dat verdachte hierdoor heeft geleden, beperkt zich er slechts toe dat hij anders niet was aangehouden. De raadsman heeft namelijk niet meer naar voren gebracht dan dat het in algemene zin belastend kan zijn om in je eigen woonwijk staandegehouden te worden. De rechtbank volstaat daarom met de enkele constatering van het vormverzuim, zonder daaraan verdere consequenties te verbinden. Het verweer van de raadsman dat moet worden overgegaan tot bewijsuitsluiting wordt dan ook verworpen.
3.3.1.2 Doorzoeking auto van verdachte
Uit het dossier blijkt dat in de inbeslaggenomen tas een papieren zak zat met daarin een grote hoeveelheid bankbiljetten. Vervolgens is verdachte aangehouden op verdenking van witwassen en hebben de verbalisanten de auto doorzocht. De rechtbank is van oordeel dat er vanaf het aantreffen van de grote hoeveelheid bankbiljetten in de tas van verdachte een redelijk vermoeden van schuld aan witwassen bestond. De aanhouding van verdachte en de doorzoeking van de auto die volgden hebben dan ook rechtmatig plaatsgevonden. Daaraan doet niet af dat het geld is aangetroffen naar aanleiding van een onrechtmatige staandehouding en inbeslagname.
Het ten aanzien daarvan geconstateerde vormverzuim neemt immers niet weg dat de inhoud van de tas gebruikt mag worden om het redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit te onderbouwen. Met betrekking tot de doorzoeking van het voertuig is derhalve geen sprake geweest van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.
3.3.1.3 Doorzoeking woning van verdachte
Uit het dossier blijkt dat bij de doorzoeking van de auto een tas is aangetroffen met blokjes hasjies. Gelet op de aangetroffen hoeveelheid bankbiljetten in de tas en de hasjiesj in het voertuig heeft de hulpofficier van justitie een machtiging tot binnentreden van de woning van verdachte afgegeven. Vervolgens heeft de rechter-commissaris de vordering tot doorzoeking van de woning ter inbeslagneming toegewezen. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de doorzoeking van de woning rechtmatig is geweest, zodat ook ten aanzien daarvan geen sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.
De conclusie van dit alles is dat de resultaten die door de inzet van de verschillende dwangmiddelen zijn verkregen kunnen bijdragen aan het bewijs.
3.3.2
Bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Als zo'n verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen. [1]
Uit de bewijsmiddelen volgt dat in de Albert Heijn tas € 34.955,- is aangetroffen en dat in de woning € 73.220,- is gevonden. In totaal gaat het dus om € 108.175,- dat bij verdachte is aangetroffen. Gelet op de omstandigheden waaronder de geldbedragen zijn aangetroffen, de hoeveelheid contant geld, de hoeveelheid hasjiesj die in de woning van verdachte is aangetroffen en het feit dat verdachte leeft van een bijstandsuitkering, is het vermoeden dat het geld afkomstig is van enig misdrijf zonder meer gerechtvaardigd. Van verdachte mag onder deze omstandigheden worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Verdachte heeft over het aangetroffen geldbedrag geen enkele verklaring afgelegd. Zowel bij de politie als ter zitting heeft hij zich op zijn zwijgrecht beroepen. Verdachte heeft dan ook geen tegenwicht geboden aan het gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. De rechtbank stelt daarmee vast dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag van € 108.175,- middellijk of onmiddellijk van enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte hiervan wetenschap had. De rechtbank acht dit feit dan ook bewezen.
De rechtbank acht het medeplegen van dit witwassen niet bewezen, omdat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en een ander of anderen niet is komen vast te staan. Daarom zal verdachte worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen.
3.3.3
Bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde
Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 28 juni 2022 een grote hoeveelheid hasjiesj is aangetroffen in het voertuig van verdachte en in zijn woning. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte 51,19 kilo hasjiesj opzettelijk aanwezig heeft gehad. Hij wordt vrijgesproken van de 300 gram waarvan niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat dit hasjiesj betreft.
De rechtbank acht het medeplegen van het aanwezig hebben van deze hasjiesj niet bewezen, nu de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en een ander of anderen niet is komen vast te staan. Daarom zal verdachte worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
de bijlagevervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Feit 1
op 28 juni 2022, te Amsterdam, een geldbedrag van in totaal 108.175 euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
Feit 2op 28 juni 2022 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van 51,19 kilogram hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straf

7.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, met inachtneming van de overschrijding van de redelijke termijn, voor de door hem onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de onherstelbare vormverzuimen. Daarnaast heeft de raadsman verzocht rekening te houden met het feit dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn en dat verdachte een
first offenderis. Gelet hierop verzoekt de raadsman om een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest en een taakstraf of eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van 51,19 kilogram hasjiesj. Een dergelijke hoeveelheid duidt op een handelshoeveelheid. Door het aanwezig hebben van een dergelijke hoeveelheid drugs, heeft verdachte bijgedragen aan het in standhouden van het gebruik van voor de volksgezondheid schadelijke drugs en de bijbehorende handel daarin, die vaak gepaard gaat met andere vormen van (ernstige) criminaliteit. Bovendien had verdachte ook nog eens € 108.175,- contant geld voorhanden, waarvan is gebleken dat dit uit enig misdrijf afkomstig is.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 6 mei 2025. Hieruit blijkt dat verdachte nog niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Strafoplegging
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht in aanmerking genomen. Voor het aanwezig hebben van 25 tot 250 kilogram softdrugs geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden. De rechtbank merkt hierbij op dat de hoeveelheid die verdachte voorhanden had aan de onderkant van deze categorie ligt. De rechtbank neemt daarom, evenals de officier van justitie, acht maanden gevangenisstraf als uitgangspunt. Voor witwassen in het kader van onderhavige zaak zijn geen specifieke oriëntatiepunten vastgesteld. De rechtbank neemt, gelet op wat in vergelijkbare zaken wordt opgelegd voor witwassen van een dergelijk bedrag, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van nog eens acht maanden als uitgangspunt.
Overschrijding van de redelijke termijn
Deze gevangenisstraf van in totaal 16 maanden wordt verminderd omdat de redelijke termijn is overschreden. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze zaak is verdachte op 28 juni 2022 in verzekering gesteld. Die dag geldt als de dag waarop voornoemde termijn is aangevangen, omdat verdachte daaraan de verwachting heeft mogen ontlenen dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. Dit betekent dat het vonnis voor 28 juni 2024 had moeten worden uitgesproken.
De rechtbank komt tot de conclusie dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM, is overschreden met een periode van ruim twaalf maanden, wat niet te wijten is aan de ingewikkeldheid van de zaak of de invloed van de verdediging. Deze periode komt voor compensatie in de vorm van strafvermindering in aanmerking. De rechtbank hanteert hierbij als uitgangspunt de staffel die de Hoge Raad hanteert voor een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase van 6 tot 12 maanden, waar een strafvermindering van 10% uit volgt. Afgerond komt dit in deze zaak neer op een strafvermindering van twee maanden.
Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

8.Beslag

Onder verdachte zijn de volgende goederen in beslag genomen:
STK telefoontoestel (omschrijving: PL1300-2022133922-6205021);
1 STK telefoontoestel (omschrijving: PL1300-2022133922-6205022);
43.050 EUR (omschrijving: PL1300-2022133922-G6205042);
34.955 EUR (omschrijving: PL1300-2022133922-G6205038);
1.800 EUR (omschrijving: PL1300-2022133922-G6205044);
28.370 EUR (omschrijving: PL1300-2022133922-G6205041);
45 EUR (omschrijving: PL1300-2022133922-G6205768).
Verbeurdverklaring
De twee telefoons (de onder 1 en 2 vermelde goederen) behoren aan verdachte toe en worden verbeurd verklaard, nu met behulp van die telefoons het onder 2 bewezen geachte is begaan.
De inbeslaggenomen geldbedragen (vermeld onder nummer 3 tot en met 7) behoren aan verdachte toe en zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu met betrekking tot deze geldbedragen het onder 1 bewezenverklaarde is begaan. Uit het dossier blijkt dat de als nummer 7 opgenomen € 45,- ook deel uitmaakt van de onder 4 genoemde € 34.955 voor nummers 4 en 7 samen wordt in totaal dus € 34.955 verbeurdverklaard.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1
witwassen
Feit 2
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
14 (veertien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Verklaart verbeurd:
STK telefoontoestel (omschrijving: PL1300-2022133922-6205021, blauw, merk: Apple iPhone);
1 STK telefoontoestel (omschrijving: PL1300-2022133922-6205022, zwart, merk: Apple iPhone);
43050 EUR (omschrijving: PL1300-2022133922-G6205042);
34955 EUR (omschrijving: PL1300-2022133922-G6205038);
1800 EUR (omschrijving: PL1300-2022133922-G6205044);
28370 EUR (omschrijving: PL1300-2022133922-G6205041);
45 EUR (omschrijving: PL1300-2022133922-G6205768).
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.M.R. Vastenburg, voorzitter,
mrs. M. Smit en N. Versteeg, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.L.M. Meulman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 juli 2025.
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…][…]
[…]
[…]
[…][…]
[…]
[…]
[…][…]
[…]
[…]
[…][…]
[…]
[…]
[…]
[…][…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…][…]
[…]
[…]
[…][…]
[…]
[…]
[…][…]
[…]
[…]
[…]
[…][…]
[…]
[…]
[…]
[…][…]
[…]
[…]
[…]
[…][…]
[…]
[…]
[…]
[…][…]
[…]
[…]
[…][…]
[…]
[…]
.

Voetnoten

1.HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352