Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in een procedure die zowel bij de rechtbank Amsterdam als bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State speelde. Verzoeker had twee rectificatieverzoeken ingediend: één op grond van de Wet politiegegevens (Wpg) en één op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
De rechtbank concludeerde dat de procedure rond het rectificatieverzoek op grond van de Wpg binnen de redelijke termijn was afgerond, waardoor geen schadevergoeding werd toegekend. Voor het rectificatieverzoek op grond van de AVG was de redelijke termijn echter met ruim vijf maanden overschreden, waardoor verzoeker recht had op een schadevergoeding van €500.
De overschrijding werd toegerekend aan zowel de rechtbank als de Afdeling bestuursrechtspraak, waarbij de rechtbank verantwoordelijk was voor 2/9 van de overschrijding en de Afdeling voor 7/9. De schadevergoeding werd verdeeld over de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De rechtbank wees het verzoek om vergoeding van griffierecht en proceskosten af omdat deze niet van toepassing waren.
De uitspraak werd gedaan zonder zitting en partijen konden binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De beslissing benadrukt het belang van tijdige rechtsgang en het recht op vergoeding bij overschrijding van redelijke termijnen in bestuursrechtelijke procedures.