De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen voor de overlevering van een persoon die momenteel in Nederland gedetineerd is. De zaak omvatte meerdere zittingen, waarbij de opgeëiste persoon aanvankelijk afzag van aanwezigheid, maar later wel aanwezig was met zijn raadsman.
In een tussenuitspraak van 8 juli 2025 oordeelde de rechtbank dat de garanties van de Belgische autoriteiten met betrekking tot medische zorg onvoldoende concreet waren. De rechtbank stelde daarom vragen aan de Belgische autoriteiten over de beschikbaarheid van intensieve en specialistische zorg, en over het voorkomen van plaatsing in een strafcel bij suïcidegevaar.
De verstrekte aanvullende informatie bleek echter te algemeen en onvoldoende om het reële gevaar van schending van grondrechten door detentieomstandigheden weg te nemen. De rechtbank concludeerde dat er een individueel gevaar bestaat en hield daarom de beslissing over de overlevering aan, waarbij een redelijke termijn van dertig dagen werd vastgesteld voor nieuwe gegevens.
Daarnaast werd vastgesteld dat er een Duits EAB bestaat waarvoor eerder overlevering was toegestaan, maar vanwege de aanhouding van de beslissing over het Belgische EAB kon de prioriteit nog niet worden bepaald. De rechtbank verlengde de termijn voor uitspraak en de gevangenhouding van de opgeëiste persoon met zestig dagen en bepaalde een nieuwe zittingsdatum.
De uitspraak werd gedaan door drie rechters en is onherroepelijk, conform de toepasselijke artikelen van de Overleveringswet.