De rechtbank Amsterdam behandelde op 14 augustus 2025 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten tegen de opgeëiste persoon geboren in 1985. Na meerdere zittingen en een tussenuitspraak op 24 juli 2025, waarbij het onderzoek werd geschorst voor aanvullende vragen aan de uitvaardigende autoriteit, werd het EAB inhoudelijk getoetst aan de Nederlandse Overleveringswet (OLW).
De verdediging voerde aan dat sprake was van ne bis in idem omdat de opgeëiste persoon al eerder veroordeeld was voor een vergelijkbaar feit, namelijk vernieling van een hek, waarvoor een boete was opgelegd en betaald. De officier van justitie en de rechtbank verwierpen dit verweer omdat het feit in het EAB materieel verschilde van het eerdere feit en de opgelegde boete mogelijk niet was geëxecuteerd. De aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten bevestigde dat de opgeëiste persoon niet eerder strafrechtelijk veroordeeld was voor het feit genoemd in het EAB.
De rechtbank concludeerde dat het EAB voldeed aan de wettelijke eisen, geen weigeringsgronden aanwezig waren en dat de overlevering toegestaan kon worden. De uitspraak werd gedaan door drie rechters en is onherroepelijk, aangezien tegen deze beslissing geen gewoon rechtsmiddel openstaat.