Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
2.De feiten
Indien partijen het ten tijde van de aankoop van het appartement niet eens zijn
- [jongmeerderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2005 te [geboorteplaats] , hierna [jongmeerderjarige 1] ;
- [jongmeerderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2002 te [geboorteplaats] , hierna [jongmeerderjarige 2] .
3.De verzoeken, het verweer en de zelfstandige verzoeken
zo de rechtbank begrijpt]onder randnummer 48 van het verweerschrift genoemde stukken;
zo de rechtbank begrijpt]man na het betekenen van de in deze te wijzen tussenbeschikking zal nalaten om hieraan uitvoering te geven;
[zo de rechtbank begrijpt]termijn;
- € 92.143,00 over 2023;
- € 100.601,97 over 2024;
4.De beoordeling
- de woning aan de [adres 1] ;
- de vakantiewoning te [vakantieadres] (hierna de vakantiewoning);
- de Canadese beleggingsrekening op beider naam.
naar de rechtbank begrijpt) “totdat de vrouw een woning heeft kunnen aankopen en betrekken op kosten van de man en er een (afkoop) alimentatie (op basis van haar huwelijkse welstand) is vastgesteld en deze in kracht van gewijsde is gegaan en zij haar (geïndexeerde) verhuisvergoeding heeft ontvangen”.
naar de rechtbank begrijpt) dat het de bedoeling van de huwelijkse voorwaarden was om de vrouw goed verzorgd achter te laten. Zolang aan deze afspraken geen uitvoering wordt gegeven door de man, kan van de vrouw niet worden verlangd dat zij haar medewerking verleent aan de verdeling van voornoemde vermogensbestanddelen.
voor ten hoogste drie jaren, een vordering tot verdeling kan uitsluiten indien de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend. De rechtbank moet in dit geval dus beoordelen of het belang van de vrouw bij het onverdeeld laten van de woning aanmerkelijk groter is dan het belang van de man bij verdeling van de woning. De rechtbank is van oordeel dat dat niet zo is.
zo begrijpt de rechtbank] sociale huurgrens. Ook maakt zij bij de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen aanspraak op een aanzienlijk vermogen en maakt zij daarnaast aanspraak op een door de man te betalen onderhoudsbijdrage. Gelet hierop acht de rechtbank het belang van de vrouw bij het onverdeeld laten van de eenvoudige gemeenschappen niet aanmerkelijk groter dan het belang van de man bij de verdeling hiervan. De rechtbank wijst dit verzoek van de vrouw daarom af.
HR 22 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA9143en
HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:502). Daarbij dienen de redelijkheid en billijkheid, die de rechtsbetrekking tussen de deelgenoten beheersen, tot maatstaf (artikelen 3:166 lid 3 BW jo. 6:2 BW).
behoeftelijst obv [adres 1] ’als uitgangspunt. De rechtbank hanteert niet de behoeftelijst van de [adres 2] omdat de vrouw daar al niet meer woont sinds 2019. De behoeftelijst van de [adres 2] geeft niet de welstand weer waarin de vrouw zich nu bevindt en ziet daarom niet op de redelijk te verwachten kosten. In 2019 zijn partijen apart gaan wonen. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat partijen in 2019 niet apart zijn gaan wonen met het oog op de echtscheiding. Partijen voerden deels een aparte huishouding maar zij bestempelden hun relatie als een zogenoemde LAT-relatie. Om die reden gaat de rechtbank niet mee in het verzoek van de man om als peiljaar 2018 te hanteren. De vrouw heeft haar behoeftelijst met een flink aantal stukken onderbouwd zodat de rechtbank dit als uitgangspunt neemt. Deze behoeftelijst ziet op het jaar 2024 zodat de daadwerkelijke behoefte nog geïndexeerd dient te worden naar het jaar 2025.
“indien de vrouw gedurende de in dit artikel in lid 1 genoemde termijn er niet in geslaagd is een door haar te bewonen huurwoning te verkrijgen, dan zal de man in overleg met en op aanwijzing van de vrouw op zijn naam een appartemensrecht te [woonplaats] aankopen en dit appartementsrecht vervolgens op zakelijke basis verhuren aan de vrouw, waarbij de maximale reële huurwaarde van dit appartement op het moment van de aankoop niet gelegen is boven de huursubsidiegrens.”
5.De beslissing
- de vrouw de woning op zijn vroegst een jaar na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand dient te verlaten, onder de voorwaarde dat – indien de vrouw gedurende voornoemde termijn van een jaar er niet in is geslaagd een door haar te bewonen huurwoning te verkrijgen – de man in overleg met en op aanwijzing van de vrouw op zijn naam een appartementsrecht heeft aangekocht en op zakelijke basis aan de vrouw heeft verhuurd conform hetgeen in de huwelijkse voorwaarden onder 8a is opgenomen;
- de man dient zo spoedig mogelijk nadat de vrouw de woning heeft verlaten, maar uiterlijk één maand daarna een door partijen gekozen makelaar een opdracht tot verkoop te verstrekken;
- bij verkoop en levering van de woning aan een derde zal de opbrengst van de woning worden verminderd met alle met de verkoop samenhangende kosten, waarna het restant tussen partijen kan worden verdeeld;
- de vrouw betaalt uit haar aandeel in de verkoopopbrengst € 671.735,- aan de man ter zake het vergoedingsrecht van de man.