Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis van de kantonrechter
de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Amsterdam
1. [gedaagde 1]
2. [gedaagde 2]
3. [gedaagde 3]
4. [gedaagde 4] B.V.
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
- conclusie van antwoord in het incident van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ;
- instructievonnis;
- dagbepaling mondelinge behandeling in het incident;
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Feiten
“Artikel 1.
Artikel 2.
“Duur, verlenging en opzegging
Bijzondere bepalingen
“Planning werkzaamheden
de bedrijfsleider van [poffertjeskraam] , [gedaagde 3]” hebben vernomen dat de gemeente Amsterdam contact met [gedaagde 3] had opgenomen over de stand van zaken en de toekomst van [poffertjeskraam] . [gedaagde 2] schrijft: “
Dit hoort natuurlijk niet zo te zijn aangezien hij niet de eigenaar is en hij verder ook niet ingelicht dient te worden, zeker niet voordat wij ingelicht worden.” Sindsdien heeft de gemeente Amsterdam met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gecommuniceerd over zaken aangaande de huurovereenkomst van de grond.
Vordering in het incident
Verweer in het incident
Beoordeling in het incident
In 1975, het jaar dat Amsterdam het 700-jarig jubileum vierde, begon [de vader van gedaagde 3] opnieuw een poffertjeskraam op het [stadsdeel] . Het was een houten, verplaatsbaar gebouwtje (…). In 1988 maakte de poffertjeskraam plaats voor het huidige pannenkoekenrestaurant [poffertjeskraam] . “Het is sindsdien steeds in handen van onze familie gebleven (…) vertelt [gedaagde 3] (…).”.” Bij aanvang van de huur was dus geen sprake van verhuur van grond met daarop het paviljoen ‘ [poffertjeskraam] ’.
pand” een huur van € 108.000,00 (ofwel circa € 360,00 per m²) betaald werd. Dat het paviljoen geen deel uitmaakte van het gehuurde wordt eveneens bevestigd door het onweersproken feit dat de opvolgende huurders de gemeente Amsterdam sedert 1988 nooit als eigenaar daarvan hebben aangesproken, bijvoorbeeld voor kosten, onderhoud of gebreken aan het paviljoen.
de vaste activa met inbegrip van de goodwill en de handelsnaam van de onderneming van verhuurder” aan [gedaagde 3] verhuurt en is hij niet in de plaats gesteld van [erflaatster] als huurder van de gemeente. Hij wist dus, althans hij had kunnen weten, dat de gemeente Amsterdam geen huur aan hem of [gedaagde 4] kón opzeggen. De opzegging is uiteindelijk rechtsgeldig aan de huurders gedaan.
geïnformeerdzou worden over de opzegging. Dat [gedaagde 4] tot de dagvaarding niet wist van de opzegging of de daarbij gehanteerde termijnen, zoals ter zitting door haar is aangevoerd, strookt niet met de correspondentie van de gemachtigde van [gedaagde 3] met de gemeente Amsterdam van medio 2024 (productie 33 bij dagvaarding). Daarin meldt de gemachtigde dat zijn cliënt op 2 juli 2024 van de onderverhuurder per whatsappbericht heeft vernomen dat de gemeente Amsterdam de huur zou hebben opgezegd tegen 1 januari 2025 en dat de exploitatie van [poffertjeskraam] vóór 31 december 2024 gestaakt moet worden. Hij vraagt de gemeente of dit juist is. In reactie daarop heeft de heer [naam 3] van de gemeente Amsterdam op 3 september 2024 bericht dat de gemeente op verzoek van haar huurder, ondanks de strakke planning, bereid is rekening te houden met de belangen van [poffertjeskraam] en dat de huur daarom niet eindigt per 31 december 2024 maar per 31 januari 2025. Zoals gezegd was de ratio van de genoemde termijn van een jaar dat [poffertjeskraam] tijd zou hebben om andere plannen te maken en zich voor te bereiden op een einde van de exploitatie. Hoewel tussen de formele opzegging aan de huurder en 31 januari 2025 geen jaar zit, is sinds de opzegging van de huur op 27 augustus 2024 dat ‘toegezegde jaar’ inmiddels wel verstreken. Onder deze omstandigheden kan het feit dat [gedaagde 4] niet een jaar van te voren is geïnformeerd over de opzegging van de huur door de gemeente Amsterdam niet leiden tot het oordeel dat de ontruiming niet toegestaan zou zijn.
het perceel grond ontdaan van alle roerende en onroerende zaken en werken, waaronder het paviljoen [poffertjeskraam]” aan de gemeente Amsterdam ter beschikking te stellen. Door partijen is gesproken over de vraag of [poffertjeskraam] door natrekking eigendom van de gemeente is geworden en of dit van invloed is op de vraag wie verantwoordelijk is voor de verwijderen van het paviljoen en/of wie de kosten daarvan moet dragen. Door partijen is over en weer onvoldoende gesteld om over natrekking en de gevolgen daarvan in deze zaak een voorlopig oordeel uit te spreken. Met betrekking tot vordering overweegt de kantonrechter het volgende. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben zich altijd als eigenaar van [poffertjeskraam] gedragen. Uit de door hen met de gemeente Amsterdam gevoerde correspondentie volgt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ervan uitgingen dat zij het paviljoen zouden moeten verwijderen. Zo schreef hun gemachtigde op 19 september 2024 “
De geboden financiële compensatie (kwijtschelden enkele maanden huur) is niet voldoende. [poffertjeskraam] moet worden verwijderd en dat brengt hoge kosten met zich mee.” en op 17 januari 2025 dat de
kostenvan het verwijderen van [poffertjeskraam] voor de gemeente zouden moeten komen. Op 25 maart 2025 heeft [gedaagde 1] in antwoord op het aanbod van de gemeente Amsterdam – in de hoop een minnelijke regeling te bereiken – om “
onverplicht een zeer substantieel bedrag van EUR 20.000,- inclusief btw aan sloopkosten en EUR 2000,- (inclusief btw) voor de kosten van het asbestonderzoek te voldoen terwijl de kosten voor de verwijdering van de opstal en de kosten voor asbestonderzoek onder jullie verantwoordelijkheid valt” geantwoord dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] akkoord zijn met de geboden compensatie voor verwijdering van het paviljoen en de grond op 31 juli 2025 zullen opleveren, een ander met het voorbehoud dat er nog met [gedaagde 4] gesproken moest worden. De kantonrechter gaat er in zijn voorlopige oordeel, mede op grond van het voorgaande, vanuit dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor oplevering van de grond
ontdaan van het paviljoenzullen zorgdragen en zal de vordering van de gemeente daartoe toewijzen.