Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.De procedure
2.De feiten
- ten aanzien van het perceel [gemeente] [sectieletter] [sectienummer 1] : een recht op verlenging van haar erfpacht met 50 jaar (2030 t/m 2079); en
- ten aanzien van de overige Percelen: een recht op verlenging van haar erfpacht met 25 jaar (2030 t/m 2055)
Het erfpachtrecht eindigt op éénendertig december tweeduizend negenentwintig, tenzij de erfpachter tenminste één jaar voor het verstrijken van het tijdvak, derhalve uiterlijk op éénendertig december achtentwintig bij aangetekende brief de erfverpachter te kennen heeft gegeven het erfpachtrecht recht met vijftig jaar te willen verlengen, in welk geval de duur van het erfpachtrecht met een tijd van vijftig jaar zal worden verlengd, alzo eindigend op éénendertig december tweeduizend negenenzeventig, tegen de canon zoals die zal gelden berekend op de wijze zoals hierna in artikel 2 wordt uitgewerkt en onder dezelfde bepalingen met uitzondering van het recht van verlenging.”
Het recht van erfpacht is gevestigd voor een tijdvak aanvangend op vier oktober negentienhonderd vijfennegentig (tenzij ten aanzien van sommige (deel) percelen een eerdere aanvangsdatum gold) en eindigend op éénendertig december tweeduizend negenentwintig (3 1-12-2029), tenzij de Erfpachter tenminste één jaar voor het verstrijken van het tijdvak, derhalve uiterlijk op éénendertig december tweeduizend achtentwintig (31-12-2028) bij aangetekende brief de Grondeigenaar te kennen heeft gegeven dat hij het recht van erfpacht met vijfentwintig (25) jaar wil verlengen, in welk geval de duur van het recht met een tijdvak van vijfentwintig (25) jaar zal worden verlengd, eindigend op éénendertig december tweeduizend vierenvijftig (3 1-12-2054), tegen de alsdan geldende canon en onder dezelfde erfpacht-bepalingen met uitzondering van het recht van verlenging.”
De in erfpacht uitgegeven percelen zijn bestemd voor industriële doeleinden.
Kantoren, werkplaatsen, magazijnen en inrichtingen ten behoeve van het personeel worden geacht aan de bestemming te beantwoorden.
Gebruik ten behoeve van een andere bestemming behoeft de schriftelijke goedkeuring van de erfverpachter, welke goedkeuring niet zonder redelijke grond zal worden onthouden.”
3.Het geschil
- opheffing van alle Erfpachtpachtrechten ultimo 2029, met uitzondering van die op de percelen [gemeente] [sectienummer 2] en [gemeente] [sectienummer 1] , inclusief enig verlengingsrecht, althans wijziging daarvan in die zin dat zij ultimo 2029 eindigen en enig verlengingsrecht ter zake vervalt; en
- een verklaring voor recht dat de erfpachtrechten op de percelen [gemeente] [sectienummer 2] en [gemeente] [sectienummer 1] ultimo 2029 eindigen, althans dat enig verlengingsrecht ten aanzien daarvan niet kan worden uitgeoefend;
industriële doeleinden”. Het voldoen aan deze bestemming is een voorwaarde voor het uitoefenen van de Verlengingsopties. Omdat Udnic niet aan deze bestemming voldoet, kan zij de Verlengingsopties niet uitoefenen en eindigen de Erfpachtrechten ultimo 2029. Bovendien heeft Udnic met verschillende uitlatingen tijdens de onderhandelingen afstand gedaan van de Verlengingsopties, haar rechten verwerkt dan wel een (onherroepelijk) aanbod verworpen. Dit volgt ook uit het Arbitraal vonnis, waarin wordt bevestigd dat Udnic van plan was te vertrekken en dit ook aan Amsteldijk kenbaar heeft gemaakt. Deze uitlatingen hebben bij Amsteldijk het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat Udnic zou vertrekken en (dus) de Erfpachtrechten niet zou verlengen. Udnic zou bovendien misbruik van recht maken als zij wel gebruik zou maken van de Verlengingsopties. Ook heeft Udnic geen belang bij verlenging van de Erfpachtrechten omdat de erfpacht alleen is bedoeld voor industriële doeleinden, terwijl Udnic hieraan niet voldoet of gaat voldoen. Een verlenging van de Erfpachtrechten door Udnic zou tot slot naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.
industriële doeleinden” een voorwaarde is voor de uitoefening van de Verlengingsopties. Zelfs als de Akten wel zo zouden moeten worden uitgelegd, dan strookt het huidige gebruik van Udnic – al dan niet via haar huurders – met deze bestemming en, zo niet, dan kan en wil Udnic in de toekomst nog voldoen aan deze bestemming. Het eigen gebruik van de percelen die Amsteldijk in ondererfpacht heeft, wijkt af van de (uitleg die zij geeft aan de) bestemming “
industriële doeleinden”. Dit illustreert dat Amsteldijk een ruime, feitelijk flexibele interpretatie geeft aan dit begrip, behalve – sinds kort – wanneer het om Udnic gaat. Het beroep van Amsteldijk op rechtsverwerking, afstand van recht, verval van een aanbod, misbruik van recht en onvoorziene omstandigheden kan ook niet slagen. Udnic heeft nooit – ook niet tijdens de onderhandelingen – met Amsteldijk gesproken over (het afzien van uitoefening van) de Verlengingsopties. Haar tijdens de onderhandelingen uitgesproken voorkeur voor een (vroegtijdig) vertrek was destijds slechts een onderhandelingspositie. Van gerechtvaardigd vertrouwen is daarom geen sprake. Bovendien hebben de onderhandelingen niet tot overeenstemming geleid. Dat betekent dat Udnic haar positie mag herijken en gebruik mag maken van de (reeds daarvoor) aan haar toekomende rechten, zoals de Verlengingsopties. Bovendien is niet gebleken van omstandigheden die zodanig onvoorzienbaar en onredelijk zijn dat de Erfpachtrechten (en de Verlengingsopties) opgeheven of gewijzigd moeten worden.
4.De beoordeling
industriële doeleinden”, of Udnic – gelet hierop – met het gebruik van de Percelen aan deze bestemming voldoet en of uit artikel 1 van de Akten volgt dat het voldoen hieraan een voorwaarde is voor het uitoefenen van de Verlengingsopties.
industriële doeleinden” alleen gedoeld op gebruik van de Percelen voor de chemische industrie. Omdat in artikel 1 van de Akten expliciet staat dat zal worden verlengd “
onder dezelfde [erfpacht] bepalingen”, is de uitoefening van industriële doeleinden een voorwaarde voor uitoefening van de Verlengingsopties, aldus steeds Amsteldijk.
industriële doeleinden” moet daarom worden geïnterpreteerd, waarvoor bijvoorbeeld kan worden aangesloten bij het geldende bestemmingsplan. Dat betekent dat alle activiteiten van Udnic onder de in de Akten omschreven bestemming vallen. Bovendien zijn de Verlengingsopties onvoorwaardelijk geformuleerd en niet afhankelijk van een (blijvende) uitoefening van bepaalde activiteiten, aldus steeds Udnic.
industriële doeleinden”in artikel 3(a) lid 1 van de Akten. Dit begrip wordt in de Akten niet gedefinieerd. Uit artikel 3(a) lid 2 van de Akten volgt wel dat in ieder geval “
kantoren, werkplaatsen, magazijnen en inrichtingen ten behoeve van het personeel” geacht worden aan de bestemming voor industriële doeleinden te beantwoorden. Uit de in de Akten gebruikte formuleringen kan de rechtbank echter onvoldoende afleiden hoe de zinsnede uit artikel 3(a) lid 1 van de Akten (verder) zou moeten worden uitgelegd. Gelet op het ontbreken van (andere) objectieve aanknopingspunten om de bedoeling vast te kunnen stellen, ligt het in de rede om de term “
industriële doeleinden” tekstueel uit te leggen en daarbij met name van belang te achten hoe het begrip “
industrie” in de Van Dale als gezaghebbende bron is gedefinieerd. Van Dale omschrijft “
industrie” (onder meer) als “
bedrijfstak die zich bezighoudt met de verwerking van grondstoffen tot (half)producten”. Een redelijke uitleg van artikel 3(a) lid 1 van de Akten brengt daarom mee dat de Percelen bestemd zijn voor het bedrijfsmatige gebruik ten behoeve van de uitoefening van de verwerking van grondstoffen tot (half)producten. Daarbij geldt wel dat van deze bestemming op grond van artikel 3(a) lid 3 van de Akten kan worden afgeweken met goedkeuring van Amsteldijk, die deze goedkeuring niet zonder redelijke grond zal onthouden of vertragen. Het voorgaande brengt dus mee dat zowel het standpunt van Amsteldijk – dat kort gezegd alleen de activiteiten op het gebied van chemische industrie voldoen aan de in de Akten voorgeschreven bestemming – als dat van Udnic – dat kort gezegd alle activiteiten die voldoen aan het bestemmingsplan ook voldoen aan de in de Akten voorgeschreven bestemming – niet opgaan.
industriële doeleinden”(zie overweging 4.5) – gelden als voorwaarden voor het kunnen uitoefenen van de Verlengingsopties. Artikel 1 van de Akten vermeldt expliciet en ondubbelzinnig dat – in het kort – zal worden verlengd “
onder dezelfde [erfpacht] bepalingen”. Een tekstuele uitleg van de Akten leidt er volgens de rechtbank dan ook toe dat het voldoen aan de (erfpacht) bepalingen in de Akten een voorwaarde is voor de uitoefening van de Verlengingsopties. Of aan deze bepalingen wordt voldaan, zal steeds per Perceel moeten worden getoetst. Als hier ultimo 2029 in een geval niet aan wordt voldaan, geldt in beginsel dat Udnic dan géén gebruik kan maken van de betreffende Verlengingsoptie.
ten tijde vanhet uitoefenen van de Verlengingsopties, dus in de toekomst, voldoet aan de voorgeschreven bestemming, ervan uitgaande dat Amsteldijk geen toestemming zal geven voor (overig) afwijkend gebruik daarvan. Udnic heeft in haar stukken en op de mondelinge behandeling voldoende toegelicht dat zij in de toekomst kan en wil voldoen aan de in de Akten voorgeschreven bestemming en dit – zo nodig – ook zal doen. Hier heeft Amsteldijk onvoldoende tegenin gebracht. Dit maakt dat niet kan worden geoordeeld dat de Erfpachtrechten – hoe dan ook – ultimo 2029 eindigen. Het kan namelijk (ook) niet worden uitgesloten dat Udnic (in de toekomst) gebruik kan en mag maken van de Verlengingsopties. Hier komt nog bij dat het voldoen aan de in de Akten omschreven bestemming mogelijk investeringen van Udnic vraagt. Het kan Udnic, mede gelet op de eerdere onderhandelingen, de (in dat verband gedane) goedkeuringen van Amsteldijk van het huidige gebruik (voor verhuur) door Udnic van de Percelen en de onzekerheid over de toekomstige bestemming van de Locatie [gemeente] (zoals onder meer blijkt uit het door Amsteldijk overgelegde plan van de [gemeente] ), echter niet worden tegengeworpen dat zij deze investeringen nu nog niet heeft gedaan of hiervoor geen concrete plannen heeft gemaakt.
eenzijdigeen verandering te bewerkstelligen in een rechtstoestand. De Verlengingsopties kwalificeren als een (notarieel verankerd) onherroepelijk aanbod van Amsteldijk (zie nader overweging 4.16), [5] en geven Udnic de eenzijdige bevoegdheid om door uiting van haar wil dat aanbod te aanvaarden de rechtstoestand te wijzigen, namelijk het verlengen van de bestaande Erfpachtrechten (in plaats van dat deze ultimo 2029 eindigen). Het gaat dus om een wilsrecht, en niet om een vorderingsrecht.
implicietbedoeld heeft afstand te willen doen van zijn recht.
explicietheeft laten weten dat zij de Verlengingsopties niet meer zal uitoefenen. Dit heeft Amsteldijk tijdens de mondelinge behandeling ook bevestigd. Uit de overgelegde stukken blijkt alleen dat partijen hebben gesproken over – in het kort – een (mogelijke) vroegtijdige afkoop (vóór ultimo 2029) van de Erfpachtrechten door Udnic. Dit was volgens Udnic haar insteek en voorkeur tijdens deze onderhandelingen. Uitlatingen hierover tijdens de onderhandelingen leiden er echter
niettoe dat Udnic daarmee (
impliciete) tot afstand van recht strekkende verklaringen heeft gedaan dat zij, ongeacht waar de onderhandelingen toe zouden leiden, geen gebruik meer zou maken van de haar toekomende Verlengingsopties.
back to back right’– jegens Amsteldijk kon uitoefenen, zodat zij het recht had diverse (rechten op) percelen die eerder aan RR toebehoorden van Amsteldijk te verkrijgen. Alleen daarom kan dit beroep niet slagen. Bovendien is in het Arbitraal vonnis – voor zover van belang – alleen overwogen dat Udnic het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat zij geen beroep meer zou doen op het zogenoemde
back-to-back right, heeft ingestemd met de overdracht van de grondposities van RR aan Amsteldijk en heeft beoogd om te vertrekken van de Locatie [gemeente] . Hierin is echter
nietoverwogen of geoordeeld dat Amsteldijk er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat Udnic de Verlengingsopties niet meer zou uitoefenen. Die vraag lag in de arbitrageprocedure ook niet voor.
onredelijkebenadeling bij verlenging. Hierbij speelt mee dat Amsteldijk altijd op de hoogte is geweest van de notarieel verankerde Verlengingsopties. In de gegeven omstandigheden kan Amsteldijk er niet van uitgaan dat Udnic hierop geen aanspraak meer zal maken. Dat Udnic op de hoogte is van de plannen van Amsteldijk doet hieraan niet af. Gelet op het voorgaande faalt ook het beroep op rechtsverwerking van Amsteldijk.
nuisance valuewillen creëren, om Amsteldijk te dwarsbomen. Volgens Amsteldijk wil Udnic uiteindelijk zelf de gehele Locatie [gemeente] in handen krijgen voor de herontwikkeling daarvan dan wel Amsteldijk laten instemmen met een gezamenlijke herontwikkeling. Amsteldijk heeft echter onvoldoende omstandigheden of gedragingen gesteld die op misbruik van recht wegens onevenredigheid van belangen wijzen. Udnic heeft voldoende toegelicht dat zij – anders dan Amsteldijk stelt – wel een zelfstandig (en voldoende) belang heeft bij het uitoefenen van de Verlengingsopties (in de toekomst). Udnic heeft onder meer aangegeven een lange termijn exploitatie van de Locatie [gemeente] voor ogen te hebben door bedrijfsopstallen te gaan realiseren, maar ook eventuele (andere) mogelijkheden om de exploitatie te optimaliseren te zullen bezien. Udnic heeft daarnaast toegelicht zich zo nodig naar de nieuwe bestemming van het terrein te willen aanpassen en de Percelen – ongeacht de (al dan niet gewijzigde) bestemming daarvan – te willen gebruiken. Tegen dit alles heeft Amsteldijk onvoldoende ingebracht. Dat Amsteldijk al geruime tijd plannen heeft met de Percelen, hier haar bedrijfsvoering op heeft gebaseerd en dat Udnic hiervan afwist maar zelf andere plannen heeft gemaakt, maakt nog niet dat sprake is van misbruik van recht.