Op 3 oktober 2024 pleegde verdachte samen met een mededader een overval op een coffeeshop in Amsterdam waarbij een kassalade en een geldbedrag van circa €2.000 tot €3.000 werd weggenomen. De overval werd voorafgegaan en vergezeld door bedreiging met een ijzeren voorwerp gericht op het slachtoffer, de baliemedewerker van de coffeeshop. Verdachte stond buiten te wachten terwijl de mededader de overval uitvoerde.
Tijdens de terechtzitting op 17 januari 2025 legde verdachte een bekennende verklaring af en betuigde spijt. De rechtbank hield rekening met zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn stabiele achtergrond, geen eerdere veroordelingen, en het reclasseringsadvies dat geen bijzondere voorwaarden noodzakelijk achtte. De officier van justitie had 30 maanden gevangenisstraf gevorderd, maar de rechtbank legde een straf van 15 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
De benadeelde partij vorderde materiële en immateriële schadevergoeding. De rechtbank wees de materiële vordering af omdat het geldbedrag toebehoorde aan de coffeeshop en niet aan de benadeelde partij. De immateriële schadevergoeding werd toegewezen op €800,- plus wettelijke rente. Verdachte werd tevens veroordeeld tot betaling van deze vergoeding en de kosten van de benadeelde partij. Het in beslag genomen geldbedrag van €120,- werd verbeurd verklaard.