ECLI:NL:RBAMS:2025:7292

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 oktober 2025
Publicatiedatum
6 oktober 2025
Zaaknummer
C/13/732893 / HA ZA 23-409
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis inzake bewijs van geldlening en aanbetaling voor auto

In deze civiele zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 15 oktober 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen eiser en gedaagde over een geldlening van € 50.000,00 en een aanbetaling van € 13.000,00 voor een auto. Eiser heeft gesteld dat hij een mondelinge geldlening heeft gesloten met gedaagde en dat hij dit bedrag in contanten heeft overhandigd. De rechtbank heeft in een eerder tussenvonnis van 29 november 2023 eiser toegelaten tot het leveren van bewijs van deze geldlening. Eiser heeft zes getuigen doen horen die hebben verklaard dat hij het bedrag van € 50.000,00 aan gedaagde heeft overhandigd. De rechtbank oordeelt dat eiser in de eerste twee bewijsopdrachten is geslaagd, maar niet in de derde bewijsopdracht met betrekking tot de aanbetaling voor de auto. Gedaagde is daarom veroordeeld tot betaling van € 50.000,00 aan eiser, vermeerderd met wettelijke rente. De proceskosten zijn gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. L.A.L. Wiersinga en is openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/732893 / HA ZA 23-409
Vonnis van 15 oktober 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. K. Tülü,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.J. Kikkert.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 29 november 2023;
- het proces-verbaal van de getuigenverhoren van 2 april 2024, 3 april 2024, 27 mei 2024, 11 november 2024 en 5 februari 2025;
- de conclusie na enquête van [eiser] van 12 maart 205;
- de conclusie van antwoord na enquête van [gedaagde] van 23 april 2025 met producties 11 t/m 20;
- de akte houdende uitlaten producties van [eiser] van 14 mei 2025 met productie 30; en
- de akte houdende uitlaten productie van [gedaagde] van 18 juni 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De (verdere) beoordeling

2.1.
De rechtbank blijft bij en neemt over wat zij in haar tussenvonnis van 29 november 2023 (hierna: ‘het tussenvonnis’) heeft overwogen en beslist, tenzij hierna anders wordt vermeld. De in het tussenvonnis gehanteerde begrippen en definities worden in dit vonnis overgenomen.
2.2.
De rechtbank heeft [eiser] bij het tussenvonnis toegelaten tot het leveren van bewijs van feiten en/of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat:
  • i) hij een mondelinge geldlening heeft gesloten met [gedaagde] ,
  • ii) hij op grond van deze geldlening € 50.000,00 in contanten aan [gedaagde] heeft gegeven, en
  • iii) hij in naam van [gedaagde] , maar met zijn eigen geld, € 13.000,00 in contanten heeft aanbetaald aan de verkoper van de BMW.
2.3.
Om te voldoen aan de bewijsopdrachten heeft [eiser] zes getuigen doen horen. Zij hebben getuigenverklaringen afgelegd op de volgende data:
  • 2 april 2024: de heer [getuige 1] (hierna: ‘ [getuige 1] ’) en de heer [getuige 2] (hierna: ‘ [getuige 2] ’);
  • 3 april 2024: de heer [getuige 3] (hierna: ‘ [getuige 3] ’), de heer [getuige 4] (hierna: ‘ [getuige 4] ’) en mevrouw [getuige 5] (hierna: ‘ [getuige 5] ’); en
  • 27 mei 2024: de heer [getuige 6] (hierna: ‘ [getuige 6] ’).
2.4.
[gedaagde] heeft in contra enquête vijf getuigen doen horen. Zij hebben getuigenverklaringen afgelegd op de volgende data:
  • 11 november 2024: de heer [getuige 7] , mevrouw [getuige 8] , de heer [getuige 9] en mevrouw [getuige 10] ; en
  • 5 februari 2025: de heer [getuige 11] .
2.5.
Vervolgens heeft [eiser] een conclusie na enquête genomen, waarop [gedaagde] bij conclusie van antwoord na enquête (met verschillende producties) heeft gereageerd. Hierop hebben partijen nog aktes houdende uitlaten productie(s) genomen.
2.6.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] is geslaagd in de eerste en tweede bewijsopdracht. In de derde bewijsopdracht is [eiser] niet geslaagd. Dit betekent dat [gedaagde] een bedrag van € 50.000,00 aan [eiser] moet betalen. De redenen daarvoor zijn als volgt.
[eiser] slaagt in de eerste en tweede bewijsopdracht; [eiser] heeft € 50.000,00 geleend aan [gedaagde]
2.7.
De rechtbank ziet aanleiding om de eerste en de tweede bewijsopdracht gezamenlijk te behandelen.
2.8.
[eiser] heeft verschillende getuigen doen horen. Hierna wordt ingegaan op (de delen van) deze getuigenverklaringen voor zover die in het kader van deze bewijsopdrachten relevant zijn.
2.9.
[getuige 5] is de echtgenote van [eiser] . Zij heeft onder meer verklaard dat [gedaagde] kort na 13 januari 2020 telefonisch heeft laten weten aan haar en [eiser] dat hij geld tekortkwam in verband met een bouwproject en dat [eiser] haar hierop heeft verteld dat hij [gedaagde] hierbij wil helpen. Ook heeft [getuige 5] verklaard dat zij met [eiser] heeft gesproken en gediscussieerd over het (al dan niet) uitlenen van een bedrag van € 50.000,00, maar dat [eiser] er uiteindelijk voor heeft gekozen het bedrag wel aan [gedaagde] uit te lenen met een korte terugbetalingstermijn van zes maanden. Daarnaast heeft [getuige 5] verklaard dat zij op een weekenddag in maart 2020 heeft gezien dat [eiser] een witte envelop met daarin – in (tien) stapeltjes van briefjes van € 50,00 – het (afgesproken) bedrag van € 50.000,00 aan [gedaagde] heeft overhandigd in het bijzijn van [getuige 3] .
2.10.
[getuige 3] is een vriend van [eiser] . Zijn verklaring over de overhandiging sluit aan op de verklaring van [getuige 5] hierover. [getuige 3] heeft verder verklaard dat [gedaagde] tijdens deze overhandiging vroeg of er wel echt € 50.000,00 in de envelop zat, dat [eiser] dit bevestigde en aangaf dat [gedaagde] het geld wel mocht tellen, maar dat [gedaagde] dit niet heeft gedaan. Ook heeft [getuige 3] verklaard dat [eiser] diezelfde avond nog heeft verteld dat [gedaagde] dit geld nodig had voor een bouwproject en dat het ging om een lening. [getuige 3] heeft daarnaast verklaard dat meerdere Iraanse kennissen hem hebben bevestigd dat [gedaagde] geld nodig had en dat het in de Iraanse cultuur heel normaal is om geld aan elkaar uit te lenen.
2.11.
[getuige 4] is de aannemer van een bouwproject waarbij [eiser] en [gedaagde] betrokken zijn. Zijn verklaring sluit op een aantal punten aan op de verklaring van [getuige 3] . Hij heeft onder meer verklaard dat hij de indruk had dat [gedaagde] geld te kort kwam, dat op de bouwplaats is gesproken over een lening van [eiser] aan [gedaagde] en dat [eiser] in ruil hiervoor een auto (op naam van [gedaagde] ) kreeg.
2.12.
De in contra enquête gehoorde getuigen hebben met betrekking tot de eerste en tweede bewijsopdracht niets verklaard dan wel dat zij niet van een lening van € 50.000,00 afweten.
2.13.
Gelet op het voorgaande is bewezen dat [eiser] op een weekenddag in maart 2020 een bedrag van € 50.000,00 in contanten aan [gedaagde] heeft overhandigd. Daarnaast acht de rechtbank – gelet op de (verklaringen over deze) overhandiging van € 50.000,00 in contanten – ook bewezen dat [eiser] dit bedrag aan [gedaagde] heeft uitgeleend. In dit kader acht de rechtbank met name relevant dat één of meerdere getuigen hebben bevestigd dat (i) [gedaagde] dringend geld nodig had, (ii) [gedaagde] [eiser] heeft gevraagd hem hierbij te helpen, (iii) [eiser] een envelop met geld in contanten aan [gedaagde] heeft overhandigd, (iv) [eiser] op dat moment heeft aangegeven dat het ging om € 50.000,00 en dat hij [gedaagde] de gelegenheid heeft gegeven om het geld na de overhandiging na te tellen (wat in het kader van een lening voor de hand ligt, gelet op de verplichting tot terugbetaling) en (v) [eiser] (kort) voor én na deze overhandiging (met hen) heeft besproken dat het ging om een lening aan [gedaagde] . [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat hij met [gedaagde] een lening van € 50.000,00 heeft gesloten, die [gedaagde] zou terugbetalen. [gedaagde] heeft tegen dit alles – ook niet met de in contra enquête gehoorde getuigen – onvoldoende ingebracht.
2.14.
Het betoog van [gedaagde] dat – in het kort – uit de verklaringen van de in contra enquête gehoorde getuigen blijkt dat [gedaagde] in het weekend van 7 en 8 maart 2020 andere afspraken had en daarom géén afspraak met [eiser] kan hebben gehad, slaagt niet. [eiser] heeft gesteld dat de afspraak met [gedaagde] op een weekenddag in maart 2020 heeft plaatsgevonden. Dit strookt met de getuigenverklaringen van [getuige 5] en [getuige 3] , die zich de precieze datum van de afspraak tussen [eiser] en [gedaagde] (ook) niet herinneren. Dat is gelet op de sindsdien verstreken tijd niet opmerkelijk. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de afspraak tussen [eiser] en [gedaagde] op een weekenddag in maart 2020 heeft plaatsgevonden. Dat [gedaagde] op 7 en 8 maart 2020 (andere) afspraken had, sluit niet uit dat er (ook) een afspraak tussen [gedaagde] en [eiser] heeft plaatsgevonden op diezelfde of op een andere weekenddag in maart 2020.
2.15.
Ook het betoog van [gedaagde] dat hij – kort gezegd – geen geldproblemen had en daarom geen reden had om een geldlening aan te gaan, gaat niet op. Dat [gedaagde] naar eigen zeggen financieel in staat was om zijn verplichtingen na te komen, sluit namelijk niet uit dat hij toch een lening met [eiser] zou hebben afgesloten. Ook personen zonder (acute) geldproblemen kunnen er namelijk om uiteenlopende redenen voor kiezen om geld te lenen.
2.16.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat [eiser] is geslaagd in het leveren van bewijs van feiten en/of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat [eiser] het bedrag van € 50.000,00 in contanten aan [gedaagde] heeft overhandigd én dat dit bedrag uiteindelijk aan [eiser] moet worden terugbetaald. Dit betekent dat [gedaagde] verplicht is om het bedrag van € 50.000,00 aan [eiser] terug te betalen. De gevorderde wettelijke rente hierover kan slechts worden toegewezen met ingang van de datum van dagvaarding. Het is namelijk niet voldoende duidelijk geworden dat en waarom de rente met ingang van een andere ingangsdatum verschuldigd is.
[eiser] slaagt niet in de derde bewijsopdracht; [gedaagde] is het bedrag van € 13.000,00 daarom niet aan [eiser] verschuldigd
2.17.
[eiser] heeft ook in het kader van de derde bewijsopdracht verschillende getuigen doen horen. De rechtbank gaat hierna in op de (delen van de) getuigenverklaringen die in het kader van deze bewijsopdracht relevant zijn.
2.18.
[getuige 1] werkt als automonteur bij een garagebedrijf waar [eiser] een vaste klant is. [getuige 1] heeft onder meer verklaard dat hij samen met [eiser] naar Friesland is gereden om de auto op te halen en dat [eiser] € 13.000,00 heeft betaald voor de (btw over de) auto. Hij heeft gezien dat [eiser] geld bij zich had en dat dit in de auto is geteld. Hij heeft niet gezien dat [eiser] dit geld heeft gepind. [eiser] heeft [getuige 1] verteld dat hij dit geld geleend heeft van een bevriende arts.
2.19.
[getuige 2] is een (gezamenlijke) vriend van zowel [eiser] als [gedaagde] . Hij heeft in dit verband verklaard dat hij van [eiser] heeft gehoord dat hij het geld aan de verkoper van de auto heeft betaald en dat het zijn eigen geld was.
2.20.
[getuige 4] heeft in dit kader verklaard dat hij weet dat is gesproken over een aanbetaling van de auto en dat het om een bedrag van meer dan € 10.000,00 ging.
2.21.
[getuige 5] heeft onder meer verklaard dat [eiser] haar heeft verteld dat hij (in ieder geval) € 10.000,00 heeft geleend van een vriend voor de aanbetaling van de auto. Zij was niet bij de ontvangst van het geleende geld, de aanbetaling en/of het ophalen van de auto.
2.22.
[getuige 6] is een studievriend van [eiser] , die [gedaagde] ook kent. Hij heeft verklaard dat hij geen details kent over de aanbetaling van de auto. Hij heeft alleen van [eiser] vernomen dat hij een contante aanbetaling heeft gedaan om daarmee de btw van de auto te voldoen.
2.23.
De in contra enquête gehoorde getuigen hebben met betrekking tot de derde bewijsopdracht niets verklaard dan wel dat zij hiervan niet of onvoldoende afweten.
2.24.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat [eiser] niet is geslaagd in het leveren van bewijs van feiten en/of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat [eiser] in naam van [gedaagde] , maar met zijn eigen geld, € 13.000,00 in contanten heeft betaald aan de verkoper van de BMW. De rechtbank acht in dit kader met name relevant dat géén van de gehoorde getuigen uit eigen waarneming heeft verklaard dat het (in contanten) voor de BMW betaalde geldbedrag van € 13.000,00 van [eiser] zelf afkomstig was. Alle verklaringen steunen op wat [eiser] aan de getuigen heeft verteld over (de afkomst van) het betaalde geldbedrag. Dat is onvoldoende voor het oordeel dat [eiser] de schuld van [gedaagde] voor de BMW heeft verminderd met een aanbetaling van het bedrag van € 13.000,00 en [gedaagde] met dat bedrag is verrijkt. [gedaagde] is daarom niet verplicht om dit bedrag aan [eiser] te vergoeden.
Proceskosten
2.25.
Omdat beide partijen gedeeltelijk gelijk en gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Rechterswissel
2.26.
Om organisatorische redenen kunnen de rechters ten overstaan van wie de mondelinge behandeling van 13 oktober 2023 en de getuigenverhoren van 2 april 2024, 3 april 2024, 27 mei 2024 en 11 november 2024 zijn gehouden, dit vonnis niet wijzen. Dit vonnis wordt daarom gewezen door de rechter ten overstaan van wie het getuigenverhoor van 5 februari 2025 is gehouden.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 50.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 18 april 2023, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.3.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.A.L. Wiersinga en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025.