ECLI:NL:RBAMS:2025:7311

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 oktober 2025
Publicatiedatum
6 oktober 2025
Zaaknummer
13/218961-25
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 22 OLW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestaan overlevering op Europees aanhoudingsbevel en voorrang Oostenrijks EAB

De Rechtbank Amsterdam behandelde op 1 oktober 2025 een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Tsjechische autoriteiten tegen een persoon zonder vaste verblijfplaats in Nederland. De opgeëiste persoon werd verdacht van diefstal door twee of meer verenigde personen, een feit dat ook onder Nederlands recht strafbaar is en waarvoor dubbele strafbaarheid geldt.

Tijdens de zitting was de verdachte aanwezig en bijgestaan door een raadsman en een Roemeense tolk. De rechtbank verlengde de beslistermijn met 30 dagen en bepaalde gevangenhouding voor de duur van het onderzoek. De rechtbank stelde vast dat het EAB aan de formele eisen voldoet en geen weigeringsgronden bestaan, waardoor overlevering aan Tsjechië is toegestaan.

Daarnaast constateerde de rechtbank dat er een ouder EAB uit Oostenrijk bestaat met betrekking tot dezelfde persoon, waarbij sprake is van meerdere en ernstigere strafbare feiten met meer benadeelden. Zowel de verdediging als het Openbaar Ministerie gaven aan dat op grond van artikel 26 OLW Pro voorrang moet worden gegeven aan het Oostenrijkse EAB. De rechtbank volgde dit standpunt en bepaalde dat het Oostenrijkse EAB prioriteit krijgt boven het Tsjechische.

De uitspraak werd gedaan door drie rechters en griffier, en is onherroepelijk. De beslissing omvat de toestemming tot overlevering aan Tsjechië, met de bepaling dat het Oostenrijkse EAB voorrang heeft in het kader van een goede rechtsbedeling.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering aan Tsjechië toe en bepaalt dat voorrang wordt gegeven aan het Oostenrijkse EAB.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/218961-25 (EAB I)
Datum uitspraak: 1 oktober 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 8 augustus 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 11 juli 2025 door
the District Court in Plzeň-město (Okresní soud Plzeň-město), Tsjechië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 2006 in [geboorteplaats] (Roemenië),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
uit andere hoofde gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 september 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. G. Demir, advocaat in Breda, en door een tolk in de Roemeense taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
detention order issued by the District Court in Plzeň-město on 10 July 2025met kenmerk
No. 50 Nt 1506/2025.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Tsjechisch recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal door twee of meer verenigde personen.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

6.Samenloop van Europese aanhoudingsbevelen

De rechtbank heeft geconstateerd dat er naast het onderhavige EAB (EAB I) nog een Oostenrijks EAB met parketnummer 13/219991-25 (EAB II) is uitgevaardigd ten aanzien van de opgeëiste persoon wegens een verdenking van in Oostenrijk gepleegde strafbare feiten. De overlevering voor deze feiten is toelaatbaar.
Zowel de raadsman als de officier van justitie hebben zich in deze zaak op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 26, derde lid, aanhef en onder a, OLW voorrang moet worden gegeven aan het Oostenrijkse EAB en niet aan het onderhavige Tsjechische EAB. De raadsman heeft aangegeven dat de opgeëiste persoon voorkeur geeft aan voorrang voor overlevering aan Oostenrijk, omdat de feiten die onderliggend zijn aan het Oostenrijkse EAB van eerdere datum zijn. De officier van justitie heeft betoogd dat voorrang moet worden gegeven aan het Oostenrijkse EAB, omdat sprake is van een verdenking van meerdere en zwaardere strafbare feiten, hier meerdere slachtoffers bij zijn betrokken, en het strafrechtelijk onderzoek mogelijk ingewikkelder is. Bovendien is het onderzoek in Oostenrijk waarschijnlijk verder gevorderd aangezien het Oostenrijkse EAB ouder is dan het Tsjechische EAB.
De rechtbank is van oordeel dat op grond van artikel 26, derde lid, aanhef en onder a, OLW voorrang moet worden gegeven aan het Oostenrijkse EAB (EAB II), en niet aan het onderhavige Tsjechische EAB (EAB I), omdat sprake is van een verdenking van meerdere en ernstigere strafbare feiten, waarbij meer benadeelde partijen zijn betrokken. In het kader van een goede rechtsbedeling zal de rechtbank daarom bepalen dat voorrang gegeven moet worden aan het Oostenrijkse EAB.

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the District Court in Plzeň-město (Okresní soud Plzeň-město), Tsjechië voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
BEPAALTdat
VOORRANGdient te worden gegeven aan het EAB met parketnummer 13/219991-25, dat is uitgevaardigd door Oostenrijk (EAB II), boven het onderhavige EAB met parketnummer 13/218961-25, dat is uitgevaardigd door Tsjechië (EAB I).
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en M. Scheeper, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 oktober 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.