ECLI:NL:RBAMS:2025:7312

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 oktober 2025
Publicatiedatum
6 oktober 2025
Zaaknummer
13/219991-25
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering en voorrang Europees aanhoudingsbevel Oostenrijk boven Tsjechië

De rechtbank Amsterdam heeft op 1 oktober 2025 uitspraak gedaan over de vordering van het Openbaar Ministerie tot in behandeling neming van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Oostenrijk. De opgeëiste persoon, geboren in 2006 en zonder vaste verblijfplaats in Nederland, werd verdacht van deelname aan een criminele organisatie en georganiseerde diefstal of zware beroving, strafbare feiten volgens de Oostenrijkse wetgeving.

De rechtbank stelde vast dat het EAB voldeed aan de wettelijke eisen en dat er geen weigeringsgronden waren die overlevering in de weg stonden. Daarnaast werd vastgesteld dat het onderzoek in Oostenrijk waarschijnlijk verder gevorderd was en dat de feiten ernstiger waren dan die in het Tsjechische EAB, dat eveneens tegen de opgeëiste persoon was uitgevaardigd.

Op grond van artikel 26, derde lid, OLW gaf de rechtbank voorrang aan het Oostenrijkse EAB boven het Tsjechische. De overlevering aan Oostenrijk werd toegestaan en de opgeëiste persoon zal worden overgeleverd aan de Arrondissementsrechtbank in St. Pölten. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Oostenrijk toe en geeft voorrang aan het Oostenrijkse Europees aanhoudingsbevel boven het Tsjechische.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/219991-25 (EAB II)
Datum uitspraak: 1 oktober 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 8 augustus 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 oktober 2024 door de officier van justitie bij het Openbaar Ministerie in St. Pölten, Oostenrijk, en is goedgekeurd bij beschikking van de rechter voor detentie en rechtsbescherming van de Arrondissementsrechtbank in St. Pölten (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) van 10 oktober 2024. Dit EAB strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 2006 in [geboorteplaats] (Roemenië),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 september 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. G. Demir, advocaat in Breda, en door een tolk in de Roemeense taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een door de rechtbank goedgekeurd bevel tot aanhouding van het Openbaar ministerie in St. Pölten van 30 september 2024 met kenmerk 311 St 44/21b.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Oostenrijks recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
georganiseerde diefstal of zware beroving.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Oostenrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

6.Samenloop van Europese aanhoudingsbevelen

De rechtbank heeft geconstateerd dat er naast het onderhavige EAB (EAB II) nog een Tsjechisch EAB met parketnummer 13/218961-25 (EAB I) is uitgevaardigd ten aanzien van de opgeëiste persoon wegens een verdenking van een in Tsjechië gepleegd strafbare feit. De overlevering voor deze feiten is toelaatbaar.
Zowel de raadsman als de officier van justitie hebben zich in deze zaak op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 26, derde lid, aanhef en onder a, OLW voorrang moet worden gegeven aan het onderhavige Oostenrijkse EAB en niet aan het Tsjechische EAB. De raadsman heeft aangegeven dat de opgeëiste persoon voorkeur geeft aan voorrang voor overlevering aan Oostenrijk, omdat de feiten die onderliggend zijn aan het Oostenrijkse EAB van eerdere datum zijn. De officier van justitie heeft betoogd dat voorrang moet worden gegeven aan het onderhavige Oostenrijkse EAB, omdat sprake is van een verdenking van meerdere en zwaardere strafbare feiten, hier meerdere slachtoffers bij zijn betrokken, en het strafrechtelijk onderzoek mogelijk ingewikkelder is. Bovendien is het onderzoek in Oostenrijk waarschijnlijk verder gevorderd aangezien het Oostenrijkse EAB ouder is dan het Tsjechische EAB.
De rechtbank is van oordeel dat op grond van artikel 26, derde lid, aanhef en onder a, OLW voorrang moet worden gegeven aan het onderhavige Oostenrijkse EAB (EAB II), en niet aan het Tsjechische EAB (EAB I), omdat sprake is van een verdenking van meerdere en ernstigere strafbare feiten, waarbij meer benadeelde partijen zijn betrokken. In het kader van een goede rechtsbedeling zal de rechtbank daarom bepalen dat voorrang gegeven moet worden aan het onderhavige Oostenrijkse EAB.

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de Arrondissementsrechtbank in St. Pölten, Oostenrijk voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
BEPAALTdat
VOORRANGdient te worden gegeven aan het onderhavige EAB met parketnummer 13/219991-25, dat is uitgevaardigd door Oostenrijk (EAB II), boven het EAB met parketnummer 13/218961-25, dat is uitgevaardigd door Tsjechië (EAB I).
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en M. Scheeper, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 oktober 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.