ECLI:NL:RBAMS:2025:7331

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 oktober 2025
Publicatiedatum
7 oktober 2025
Zaaknummer
C/13/756799 HA ZA 24-1037-TV2
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Benoeming deskundige in civiele procedure over kostendekkend uurtarief en aantal uren

In deze civiele procedure, behandeld door de Rechtbank Amsterdam, is op 1 oktober 2025 een tussenvonnis uitgesproken in de zaak tussen Westinghouse Legal Partners B.V. (WLP) en Medisch Centrum Keizersgracht Holding B.V. (MCKH) en een tweede gedaagde. De rechtbank heeft in dit vonnis een deskundigenonderzoek bevolen om vast te stellen wat een redelijk aantal uren is voor de werkzaamheden van WLP en wat een kostendekkend uurtarief is. Dit volgt op een eerder tussenvonnis van 9 juli 2025, waarin het voornemen tot benoeming van een deskundige werd aangekondigd. De rechtbank heeft mr. H.F. Doeleman benoemd als deskundige, die de opdracht zal uitvoeren en de partijen in de gelegenheid stelt om opmerkingen te maken. De rechtbank heeft ook de vragen geformuleerd die aan de deskundige voorgelegd moeten worden, waaronder de beoordeling van het aantal uren en het uurtarief, en heeft bepaald dat WLP het voorschot voor de kosten van de deskundige moet betalen. De partijen zijn verplicht om mee te werken aan het onderzoek en moeten de deskundige toegang geven tot noodzakelijke informatie en plaatsen. De rechtbank heeft verder aangegeven dat de zaak op de parkeerrol zal komen en dat verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/756799 / HA ZA 24-1037
Vonnis van 1 oktober 2025
in de zaak van
WESTINGHOUSE LEGAL PARTNERS B.V.,
te Amsterdam,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: WLP,
advocaat: mr. M.P.R. Sardjoe,
tegen

1.MEDISCH CENTRUM KEIZERSGRACHT HOLDING B.V.,

te Amsterdam,
2.
[gedaagde 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: MCKH en [gedaagde 2] en samen MCKH c.s.,
advocaat: mr. H.J. Hagemans.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 9 juli 2025 (hierna: het tussenvonnis),
- de akte uitlaten na tussenvonnis van WLP,
- de akte uitlaten na tussenvonnis van MCKH c.s., met productie 28,
- de brief van 15 augustus 2025 van MCKH c.s. met productie 29.
1.2.
Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.
1.3.
WLP heeft zich nog niet kunnen uitlaten over de producties 28 en 29. Productie 28 is de concept-akte na tussenvonnis van WLP en productie 29 is de uitspraak van het Hof van Discipline van 8 augustus 2025. De producties zijn niet van belang voor de beslissingen in dit vonnis over de benoeming van een deskundige en de te stellen vragen. De rechtbank heeft WLP dan ook nog niet in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over deze producties. Na het deskundigenbericht kan WLP zich nog over deze producties uitlaten.

2.De verdere beoordeling

in conventie
2.1.
De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over een aangekondigd deskundigenonderzoek. Dit deskundigenonderzoek zal in dit vonnis worden bevolen.
De deskundige
2.2.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank voorgesteld mr. H.F. Doeleman als deskundige te noemen. Hij beschikt over de vereiste deskundigheid en heeft reeds eerder aan de griffier meegedeeld vrij te staan het deskundigenonderzoek uit te voeren en daartoe bereid te zijn (zie 5.17 van het tussenvonnis). Beide partijen hebben aangegeven zich in het voorstel van de rechtbank te kunnen vinden. De rechtbank zal daarom mr. H.F. Doeleman als deskundige benoemen.
De vragen
2.3.
Aan deze deskundige zullen de in de beslissing vermelde vragen worden voorgelegd. Hierbij overweegt de rechtbank als volgt.
2.4.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank een drietal vragen voorgesteld (zie 5.19 tussenvonnis):
1.
Wat is een redelijk aantal uren voor de opdracht die MCKH c.s. aan WLP heeft verstrekt met betrekking tot het geschil met Quin Dokters en met betrekking tot het declaratiegeschil met Bureau Brandeis?
2.
Wat is een kostendekkend uurtarief voor de werkzaamheden van WLP?
3.
Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?
2.5.
Beide partijen hebben aangegeven zich in deze vragen te kunnen vinden, maar zij hebben beide verzocht daarnaast in aanvulling op die vragen nog andere vragen aan de deskundige voor te leggen.
2.6.
MCKH c.s. wil de deskundige – samengevat – ook vragen om bij het bepalen van het redelijk aantal uren:
rekening te houden met het feit dat WLP volgens MCKH c.s. pas in een zeer laat stadium betrokken is geraakt toen al veel werk al was verricht door Bureau Brandeis, terwijl voorts ook veel werk is verricht door derden die separaat kosten in rekening hebben gebracht;
rekening te houden met de doelmatigheid en noodzakelijkheid van de door WLP uitgevoerde werkzaamheden, zulks in de wetenschap dat voor (deel)werkzaamheden geen opdracht is verstrekt
voor het declaratiegeschil met Bureau Brandeis een kosten/batenanalyse te maken gelet op de hoogte van de (openstaande) declaraties van Bureau Brandeis.
Daarnaast wil MCKH c.s. de deskundige met betrekking tot het kostendekkend uurtarief nog vragen:
4) rekening te houden met het feit dat mr. Mouthaan wegens een sabbatical in het buitenland verbleef en geen of slechts beperkt gebruik heeft gemaakt van de faciliteiten van WLP.
2.7.
WLP wil de deskundige – samengevat – vragen om in het deskundigenbericht mee te nemen:
dat WLP een “full service”-kantoor is (advocatuur ondernemingsrecht, belastingadvies en notariaat), met verschillende afdelingen en ondersteunend personeel, kosten van huisvesting opleiding etc., waardoor een kostendekkend uurtarief volgens WLP relatief hoger is dan wanneer daarvan geen sprake zou zijn;
dat het door WLP gehanteerde uurtarief aansluit bij het door Bureau Brandeis gehanteerde tarief waarmee MCKH c.s. akkoord was gegaan;
de houding van MCKH c.s., namelijk:
(i) dat MCKH c.s. een cliënt was die veelvuldig contact opnam met WLP, waardoor er veel contactmomenten, en daarmee corresponderende uren, bestonden,
(ii) dat de houding van MCKH c.s. volgens WLP geen efficiënte wijze van advisering toeliet,
(iii) dat MCKH c.s. geen contact onderhield met overige adviseurs, wat volgens WLP het proces bemoeilijkte, en
(iv) dat MCKH c.s. ook niet altijd input gaf op werkzaamheden van zijn adviseurs;
4) de omvang en complexiteit van de zaak mee te nemen en het feit dat het dossier bij aanvang incompleet aan WLP is aangeleverd.
2.8.
WLP heeft ook opmerkingen gemaakt over de overwegingen van de rechtbank dat geen positief resultaat is behaald (zie 5.12 en 5.13 van het tussenvonnis) en wil de deskundige in dat verband ook vragen, samengevat:
5. om aan te geven of bij een resultaatsafhankelijke beloning het resultaat doorgaans gradueel wordt verwoord;
6. of hij over voldoende informatie beschikt om een dergelijke graduele boordeling te kunnen maken;
7. om in het deskundigenbericht mee te nemen dat WLP negatief had geadviseerd over de procedure tegen Bureau Brandeis.
2.9.
Partijen hebben over de hiervoor genoemde voorstellen over en weer opmerkingen gemaakt. Met inachtneming daarvan wordt over de te stellen vragen als volgt overwogen.
Voorgestelde aanvullende vragen die zien op het redelijk aantal uren (de voorgestelde aanvullende vragen 1 t/m 3 van MCKH c.s. en 3 en 4 van WLP)
2.10.
De rechtbank stelt voorop dat het aan de deskundige is om zich met name door kennisname van het volledige dossier (processtukken, gevoerde (e-mail)correspondentie en telefoonnotities) een beeld te vormen van de zaaksbehandeling in het licht van alle relevante omstandigheden waarmee de advocaten van WLP bij het behandelen van de zaak te maken hadden. Aan de hand daarvan zal hij moeten vaststellen wat een redelijk aantal uren is voor de beide opdrachten aan WLP. Het is niet nodig dat de rechtbank daarover specifieke vragen stelt. Wel zal de deskundige in zijn advies moeten aangeven met welke volgens hem relevante omstandigheden hij rekening heeft gehouden bij het bepalen van het aantal door hem redelijk geachte aantal uren. Daarom zal de rechtbank aan de eerste vraag over het redelijk aantal uren nog een vraag toevoegen. Vraag 1 luidt dan als volgt:
1.
Wat is een redelijk aantal uren voor de opdracht die MCKH c.s. aan WLP heeft verstrekt met betrekking tot het geschil met Quin Dokters en met betrekking tot het declaratiegeschil met Bureau Brandeis?
a.
Kunt u aangeven welke omstandigheden u in uw oordeel heeft betrokken?
Voorgestelde vragen die zien op het kostendekkend uurtarief (de voorgestelde aanvullende vraag 4 van MCKH c.s. en 1 en 2 van WLP)
2.11.
Voor wat betreft de vraag naar een kostendekkend uurtarief geldt dat de opdracht is verstrekt aan WLP, zodat het niet relevant is of mr. Mouthaan al dan niet van alle faciliteiten van WLP gebruik heeft gemaakt in de periode dat hij MCKH c.s. als advocaat bij stond. Het is aan de deskundige om te bepalen wat voor de behandelend advocaten van WLP een kostendekkend uurtarief is.
2.12.
Het door Bureau Brandeis gehanteerde tarief is niet relevant voor het beantwoorden van de vraag. Het gaat immers om de vraag wat een kostendekkend uurtarief is. WLP zal de deskundige inzicht moeten geven in de kosten van haar kantoororganisatie op de door de deskundige gewenste wijze (zie hierna onder 2.15). De rechtbank zal daarom ook ten aanzien van het kostendekkend uurtarief een vraag toevoegen.
2.13.
De rechtbank heeft zich bij nadere lezing van de voorgestelde vragen gerealiseerd dat daaruit niet duidelijk blijkt dat het kostendekkend uurtarief ook moet voorzien in een bescheiden salaris. De rechtbank zal daarom ter verduidelijking een vraag hierover toevoegen. Vraag 2 luidt dan als volgt:
2.
Wat is een kostendekkend uurtarief voor de werkzaamheden van WLP?
a.
Kunt u aangeven welke omstandigheden u in uw oordeel heeft betrokken?
b.
Hoe hoog is naar uw oordeel, in aanvulling op het kostendekkend uurtarief, het bescheiden salaris voor de advocaat?
Aanvullende vragen (vraag 5 t/m 7 van WLP)
2.14.
De voorgestelde vragen zien op de vraag of (deels) een positief resultaat is bereikt en hoe in het geval van een (deels) positief resultaat een resultaatsafhankelijke beloning moet worden vastgesteld. De rechtbank heeft in 5.13 van het tussenvonnis al een oordeel gegeven over de vraag of een positief resultaat is bereikt. Omdat dat naar het oordeel van de rechtbank niet het geval is, is slechts een kostendekkend uurtarief met een bescheiden salaris voor de advocaat verschuldigd. De vragen die aan de deskundige worden gesteld zien daarom alleen op die wijze van beloning en de rechtbank ziet geen aanleiding om de voorgestelde vragen aan de deskundige te stellen.
Dossier
2.15.
Beide partijen hebben opmerkingen gemaakt over het aan de deskundige aan te leveren dossier. De rechtbank bepaalt dat in elk geval het volledige procesdossier in deze procedure aan de deskundige moet worden overgelegd. Daarnaast is het aan de deskundige om bij partijen die informatie op te vragen die hij nodig heeft om de vragen te beantwoorden.
Voorschot
2.16.
In de vorige beslissing is al aangekondigd en toegelicht dat WLP het voorschot op de kosten van de deskundige moet betalen.
Slotopmerkingen
2.17.
De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals hierna onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.
2.18.
Als een partij op verzoek van de deskundige of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige toestuurt, moet zij daarvan direct een afschrift aan de wederpartij verstrekken.
2.19.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
in reconventie
2.20.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De rechtbank
in conventie
3.1.
beveelt een onderzoek door een deskundige voor de beantwoording van de volgende vragen:
1.
Wat is een redelijk aantal uren voor de opdracht die MCKH c.s. aan WLP heeft verstrekt met betrekking tot het geschil met Quin Dokters en met betrekking tot het declaratiegeschil met Bureau Brandeis?
a.
Kunt u aangeven welke omstandigheden u in uw oordeel heeft betrokken?
2.
Wat is een kostendekkend uurtarief voor de werkzaamheden van WLP?
a.
Kunt u aangeven welke omstandigheden u in uw oordeel heeft betrokken?
b.
Hoe hoog is naar uw oordeel, in aanvulling op het kostendekkend uurtarief, het bescheiden salaris voor de advocaat?
3.
Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?
3.2.
benoemt tot deskundige:
Mr. H.F. Doeleman,
correspondentieadres: [adres 1] ,
bezoekadres: [adres 2] ,
telefoon: [telefoonnummer] ,
e-mailadres: [e-mailadres] ,
3.3.
bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis aan de deskundige zal toezenden,
het voorschot
3.4.
bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot op de kosten van de deskundige het volgende:
- de deskundige moet binnen twee weken na de datum van deze beslissing een begroting van de kosten opgeven aan de griffie van de rechtbank, gespecificeerd naar het verwachte aantal te besteden uren, het uurtarief en de eventuele overige kosten,
- de griffie zal de opgave van de deskundige vervolgens toezenden aan partijen,
- partijen kunnen desgewenst binnen twee weken na dagtekening van de brief/het bericht van de griffie schriftelijk bij de rechtbank bezwaar maken tegen de begroting,
- als niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige worden vastgesteld op het door de deskundige begrote bedrag,
- als wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal de hoogte van het voorschot door de rechtbank worden vastgesteld,
3.5.
bepaalt dat WLP het voorschot dient over te maken binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,
het onderzoek
3.6.
bepaalt dat WLP – na vaststelling van het voorschot – het procesdossier in afschrift aan de deskundige moet toesturen,
3.7.
bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,
3.8.
wijst de deskundige erop dat:
- de deskundige voor aanvang van het onderzoek kennis moet nemen van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken én van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (beide te raadplegen op www.rechtspraak.nl),
- de deskundige het onderzoek pas begint na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot,
- de deskundige het onderzoek onmiddellijk staakt en contact opneemt met de griffier, als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,
- de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht vermeldt of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken,
- de deskundige partijen bij een onderzoek van een object ter plaatse gelegenheid moet bieden dit onderzoek bij te wonen; als slechts één partij (althans niet alle partijen) bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig is of zijn, de deskundige dit onderzoek niet mag uitvoeren, tenzij alle partijen zijn uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, en dat uit het rapport moet blijken dat hieraan is voldaan,
- als partijen bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig zijn geweest, uit het rapport moet blijken welke opmerkingen zij hebben gemaakt en welke verzoeken zij hebben gedaan, en hoe de deskundige hierop heeft gereageerd,
3.9.
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige moeten verstrekken als de deskundige daarom vraagt, de deskundige toegang moeten verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid moeten geven om het onderzoek te verrichten,
het schriftelijk rapport
3.10.
draagt de deskundige op om uiterlijk drie maanden na het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, met een gespecificeerde declaratie,
3.11.
wijst de deskundige erop dat:
- uit het schriftelijk rapport moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,
- de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, waarna partijen de gelegenheid krijgen om binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,
3.12.
bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben om op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,
overige bepalingen
3.13.
bepaalt dat de zaak op de parkeerrol zal komen van
1 april 2026,
3.14.
draagt de griffier op om de zaak op een eerdere rol te plaatsen:
- als het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen van beide partijen op een termijn van twee weken of
- na ontvangst ter griffie van het rapport: voor gelijktijdige conclusie na deskundigenbericht op een termijn van vier weken,
3.15.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in reconventie
3.16.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schaberg, bijgestaan door mr. K.E. Beerlage, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2025.