ECLI:NL:RBAMS:2025:7540

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 september 2025
Publicatiedatum
13 oktober 2025
Zaaknummer
11468337 CV EXPL 24-16496
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling van hoofdsom en buitengerechtelijke kosten in het kader van een consumentenovereenkomst

In deze zaak vorderden eisers, beiden vennoten van een vennootschap onder firma, betaling van € 3.000,- aan hoofdsom en € 425,- aan buitengerechtelijke kosten van gedaagde, die niet verschenen was. De eisers stelden dat zij in opdracht van gedaagde werkzaamheden hadden uitgevoerd en dat gedaagde de offerte van € 3.000,- had geaccordeerd. Ondanks het versturen van een factuur en verschillende betalingsherinneringen had gedaagde de factuur niet voldaan. De kantonrechter oordeelde dat de overeenkomst tussen partijen als een consumentenovereenkomst moest worden aangemerkt, waardoor ambtshalve moest worden onderzocht of eisers aan hun informatieplichten hadden voldaan. De rechter concludeerde dat dit het geval was en dat het prijsbeding duidelijk en begrijpelijk was geformuleerd. De gevorderde hoofdsom en buitengerechtelijke kosten werden toegewezen, evenals de wettelijke rente over de hoofdsom. Gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd uitgesproken op 4 september 2025 door mr. L. van Berkum, kantonrechter, in aanwezigheid van de griffier mr. T.C. van Andel.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 11468337 CV EXPL 24-16496
vonnis van: 4 september 2025
fno.: 364

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e
1. [eiser 1]wonende te [woonplaats 1]

2. [eiser 2]

wonende te [woonplaats 2]
beiden vennoten van de vennootschap onder firma [naam vof]
eisers, nader te noemen: [eisers]
gemachtigde: mr. F. Özer
t e g e n

[gedaagde]

wonende te [woonplaats 3]
gedaagde, nader te noemen: [gedaagde]
niet verschenen.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij dagvaarding van 13 december 2024 met producties, heeft [eisers] tegen [gedaagde] een vordering ingesteld.
[gedaagde] heeft geen uitstel verzocht en evenmin geantwoord. Tegen hem is verstek verleend, waarna vonnis is bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Beoordeling

[eisers] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 3.000,- aan hoofdsom en
€ 425,- aan buitengerechtelijke kosten, beide vermeerderd met de wettelijke rente, en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
[eisers] stelt dat zij in opdracht van [gedaagde] werkzaamheden heeft uitgevoerd. Zij heeft op 24 april 2023 per Whatsapp-bericht twee offertes aan [gedaagde] gestuurd, waarna [gedaagde] de offerte van € 3.000,- heeft geaccordeerd. Op 28 september 2024 heeft [eisers] de werkzaamheden correct en volledig uitgevoerd en diezelfde dag een factuur gestuurd met een betaalverzoek voor € 3.000,- inclusief btw. Ondanks verschillende betalingsherinneringen heeft [gedaagde] de factuur niet voldaan. Hierdoor is [gedaagde] ook rente en buitengerechtelijke kosten verschuldigd geworden, aldus [eisers] .
Over de hoedanigheid van [gedaagde] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst is niets gesteld, zodat ervan wordt uitgegaan dat hij de overeenkomst heeft gesloten als consument. De overeenkomst tussen partijen wordt daarom aangemerkt als een consumentenovereenkomst, zodat ambtshalve moet worden onderzocht of [eisers] heeft voldaan aan haar informatieplichten van afdeling 2b van titel 5 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en of in de overeenkomst die tussen partijen is gesloten oneerlijke bedingen zijn opgenomen in de zin van Richtlijn 93/13 EG (richtlijn oneerlijke bedingen). Dat moet ook als hierop geen verweer is gevoerd.
Afhankelijk van de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen gelden bepaalde informatieplichten. [eisers] heeft stukken overgelegd van de via Whatsapp verstuurde en geaccepteerde offerte en de berichten die in dat kader tussen partijen zijn gewisseld. Daaruit wordt opgemaakt dat geen gebruik is gemaakt van ‘een georganiseerd systeem voor verkoop of dienstverlening op afstand’, zoals bedoeld in artikel 6:230g lid 1 sub e BW. Er is dan ook geen sprake van een zogenaamde overeenkomst op afstand, zodat [eisers] bij het aangaan van de overeenkomst moest voldoen aan de informatieplichten als beschreven in artikel 6:230l BW. Uit de offerte en begeleidende berichten volgt dat daaraan is voldaan.
Uit de offerte volgt verder dat een prijs is afgesproken van € 3.000,- inclusief btw, die uiteindelijk ook in rekening is gebracht. Het prijsbeding, dat ziet op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, is derhalve duidelijk en begrijpelijk geformuleerd en hoeft daarom niet te worden getoetst op oneerlijkheid (artikel 4 lid 2 van de richtlijn). De hoofdsom komt verder niet ongegrond of onrechtmatig voor, zodat deze toewijsbaar is.
Uit de offerte of de factuur valt niet op te maken dat nog andere bedingen tussen partijen gelden dan opgenomen in de offerte, bijvoorbeeld doordat algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard. Ambtshalve toetsing van een rente- of incassokostenbeding is dan ook niet aan de orde. De gevraagde wettelijke rente over de hoofdsom en de buitengerechtelijke kosten zijn dan ook toewijsbaar. De rente over de buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen nu daarvoor onvoldoende is gesteld.
[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

BESLISSING

De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eisers] van:
- € 3.000,- aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2024 tot aan de voldoening;
- € 425,- aan buitengerechtelijke kosten;
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eisers] begroot op:
exploot € 113,54
salaris € 238,00 (1 punt)
griffierecht € 257,00
nakosten
€ 67,50totaal € 676,04
voor zover van toepassing, inclusief btw, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend en daarnaast te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis tot de voldoening;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2025 in tegenwoordigheid van mr. T.C. van Andel, griffier.