[eisers] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 3.000,- aan hoofdsom en
€ 425,- aan buitengerechtelijke kosten, beide vermeerderd met de wettelijke rente, en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
[eisers] stelt dat zij in opdracht van [gedaagde] werkzaamheden heeft uitgevoerd. Zij heeft op 24 april 2023 per Whatsapp-bericht twee offertes aan [gedaagde] gestuurd, waarna [gedaagde] de offerte van € 3.000,- heeft geaccordeerd. Op 28 september 2024 heeft [eisers] de werkzaamheden correct en volledig uitgevoerd en diezelfde dag een factuur gestuurd met een betaalverzoek voor € 3.000,- inclusief btw. Ondanks verschillende betalingsherinneringen heeft [gedaagde] de factuur niet voldaan. Hierdoor is [gedaagde] ook rente en buitengerechtelijke kosten verschuldigd geworden, aldus [eisers] .
Over de hoedanigheid van [gedaagde] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst is niets gesteld, zodat ervan wordt uitgegaan dat hij de overeenkomst heeft gesloten als consument. De overeenkomst tussen partijen wordt daarom aangemerkt als een consumentenovereenkomst, zodat ambtshalve moet worden onderzocht of [eisers] heeft voldaan aan haar informatieplichten van afdeling 2b van titel 5 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en of in de overeenkomst die tussen partijen is gesloten oneerlijke bedingen zijn opgenomen in de zin van Richtlijn 93/13 EG (richtlijn oneerlijke bedingen). Dat moet ook als hierop geen verweer is gevoerd.
Afhankelijk van de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen gelden bepaalde informatieplichten. [eisers] heeft stukken overgelegd van de via Whatsapp verstuurde en geaccepteerde offerte en de berichten die in dat kader tussen partijen zijn gewisseld. Daaruit wordt opgemaakt dat geen gebruik is gemaakt van ‘een georganiseerd systeem voor verkoop of dienstverlening op afstand’, zoals bedoeld in artikel 6:230g lid 1 sub e BW. Er is dan ook geen sprake van een zogenaamde overeenkomst op afstand, zodat [eisers] bij het aangaan van de overeenkomst moest voldoen aan de informatieplichten als beschreven in artikel 6:230l BW. Uit de offerte en begeleidende berichten volgt dat daaraan is voldaan.
Uit de offerte volgt verder dat een prijs is afgesproken van € 3.000,- inclusief btw, die uiteindelijk ook in rekening is gebracht. Het prijsbeding, dat ziet op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, is derhalve duidelijk en begrijpelijk geformuleerd en hoeft daarom niet te worden getoetst op oneerlijkheid (artikel 4 lid 2 van de richtlijn). De hoofdsom komt verder niet ongegrond of onrechtmatig voor, zodat deze toewijsbaar is.
Uit de offerte of de factuur valt niet op te maken dat nog andere bedingen tussen partijen gelden dan opgenomen in de offerte, bijvoorbeeld doordat algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard. Ambtshalve toetsing van een rente- of incassokostenbeding is dan ook niet aan de orde. De gevraagde wettelijke rente over de hoofdsom en de buitengerechtelijke kosten zijn dan ook toewijsbaar. De rente over de buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen nu daarvoor onvoldoende is gesteld.
[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.