Op 6 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak waarin verzoekster, een moeder met een minderjarig kind, een voorlopige voorziening vroeg om toegelaten te worden tot de noodopvang van de gemeente Amsterdam. De aanvraag was eerder afgewezen door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, omdat verzoekster niet voldeed aan de bindingseis van vier jaar woonachtig zijn in Amsterdam. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening. Tijdens de zitting op 6 oktober 2025 werd het verzoek behandeld, waarbij zowel verzoekster als haar gemachtigde, alsook vertegenwoordigers van het Buurtteam en het college aanwezig waren. Na de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van een spoedeisend belang, aangezien verzoekster en haar tweejarige zoontje dakloos dreigden te worden. Hoewel het college terecht had vastgesteld dat verzoekster niet voldeed aan de bindingseis, was het besluit onvoldoende gemotiveerd omdat het belang van het kind niet was meegewogen. De voorzieningenrechter voerde een belangenafweging uit en concludeerde dat het belang van verzoekster zwaarder woog dan dat van het college, vooral gezien de verplichtingen onder het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, waarbij het college werd opgedragen om voor opvang te zorgen voor verzoekster en haar kind tot zes weken na de beslissing op de aanvraag voor maatschappelijke opvang. Tevens werd het college veroordeeld tot betaling van het griffierecht en proceskosten aan verzoekster. Tegen deze mondelinge uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.