In deze zaak, behandeld door de Rechtbank Amsterdam, heeft de eisende partij, Menzis Zorgverzekeraar N.V., een vordering ingesteld tegen een gedaagde partij die niet is verschenen. De eisende partij vordert betaling van € 269,00 aan hoofdsom, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke kosten, op basis van een zorgverzekeringsovereenkomst die via de website van Menzis zou zijn gesloten. De procedure is gestart met een dagvaarding op 15 januari 2024, waarbij de gedaagde partij verstek heeft laten verlenen.
De kantonrechter heeft in zijn beoordeling vastgesteld dat de overeenkomst op afstand tot stand is gekomen tussen een handelaar en een consument. Dit betekent dat de vordering moet worden getoetst aan het consumentenrecht, inclusief de richtlijn over oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. De rechter heeft opgemerkt dat de eisende partij moet toelichten wanneer en hoe de verzekeringsovereenkomst en de bijbehorende voorwaarden aan de gedaagde zijn verstrekt, en of de gedaagde in de gelegenheid is gesteld om de overeenkomst te ontbinden, zoals vereist door artikel 6:230x lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.
De kantonrechter heeft de eisende partij de gelegenheid gegeven om deze toelichting te verstrekken en heeft aangegeven dat het ontbreken van deze informatie kan leiden tot afwijzing van de vordering wegens het niet voldoen aan de stelplicht. De zaak is aangehouden voor een rolzitting op 11 november 2025, waar de eisende partij een akte moet indienen. Het vonnis is uitgesproken op 14 oktober 2025 door mr. L. van Berkum.