De gemeente Amsterdam verleende een vergunning aan een derde partij voor het plaatsen en verhuren van marktkramen op de Albert Cuypmarkt, nadat de vorige kramenzetter failliet ging. Eisers, marktkraamondernemers, voerden bezwaar aan tegen deze vergunningverlening en stelden dat de procedure niet transparant was en dat er sprake was van misbruik van recht.
De rechtbank oordeelde dat twee van de eisers niet ontvankelijk waren omdat zij geen belanghebbende waren of geen procesbelang hadden. Het primaire besluit was onbevoegd genomen door een afdelingsmanager zonder mandaat, maar dit gebrek werd hersteld in bezwaar door het dagelijks bestuur van stadsdeel Zuid.
De rechtbank erkende dat de procedure niet volledig voldeed aan de vereisten van de Dienstenrichtlijn voor schaarse vergunningen, maar stelde vast dat er sprake was van een crisissituatie door het onverwachte faillissement. Hierdoor mocht worden afgeweken van de normale procedure, mits de vergunningverlening zorgvuldig was voorbereid, wat volgens de rechtbank het geval was.
De tarieven voor de marktkramen werden als marktconform beoordeeld gezien de afwijkende afmetingen, investeringen en inflatie. De rechtbank wees alle beroepsgronden af en verklaarde het beroep van de hoofd eiser ongegrond, waardoor de vergunning rechtmatig blijft.