ECLI:NL:RBAMS:2025:8101

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
C/13/758111 / FA RK 24-6998
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag en adoptie in hoogtechnologisch draagmoederschapstraject

Op 28 oktober 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam een beschikking gegeven in een zaak betreffende gezag en adoptie. De wensouders, [wensouder 1] en [wensouder 2], hebben een hoogtechnologisch draagmoederschapstraject doorlopen met de draagmoeder, die hen heeft geholpen bij het realiseren van hun kinderwens. De rechtbank heeft kennisgenomen van verschillende stukken, waaronder verzoekschriften en adviezen van de Raad voor de Kinderbescherming. De wensouders hebben sinds 15 oktober 2021 een relatie en zijn gehuwd. De draagmoeder, die bevriend is met de wensouders, heeft een eicel gedoneerd, wat heeft geleid tot de geboorte van de minderjarige [minderjarige] op [geboortedatum 1] 2025. De wensouders hebben verzocht om het gezag van de draagmoeder te beëindigen en gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te worden belast. De rechtbank heeft vastgesteld dat de draagmoeder instemt met dit verzoek. De Raad voor de Kinderbescherming heeft geadviseerd het gezag van de draagmoeder te beëindigen en [wensouder 2] met het gezag te belasten, wat de rechtbank heeft toegewezen. Daarnaast hebben de wensouders verzocht om de adoptie van [minderjarige] door [wensouder 1], met terugwerkende kracht tot de geboorte. De rechtbank heeft geoordeeld dat de wettelijke verzorgingstermijn van één jaar in dit geval niet redelijk is, gezien de bijzondere omstandigheden van het draagmoederschap. De rechtbank heeft het verzoek tot adoptie toegewezen en de adoptie terugwerkende kracht verleend tot de geboorte van [minderjarige]. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de griffier is opgedragen om de inschrijving in het gezagsregister te verzorgen.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken
zaaknummer / rekestnummer: C/13/758111 / FA RK 24-6998
Beschikking van 28 oktober 2025 betreffende gezag en adoptie
in de zaak van:
[wensouder 1],
hierna mede te noemen [wensouder 1] ,
en,
[wensouder 2],
hierna mede te noemen [wensouder 2] ,
samen mede te noemen de wensouders,
beiden wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. mr. J.H. van der Tol, gevestigd te Amsterdam.
als belanghebbende is aangemerkt:
[draagmoeder],
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna mede te noemen de draagmoeder,
advocaat mr. K.S.M. Smienk, gevestigd te De Meern.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
Regio Rotterdam-Dordrecht,
Locatie [locatie 1] ,
hierna te noemen: de Raad.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift van wensouders, ingekomen op 15 oktober 2024;
  • het F9-formulier van de draagmoeder, met als bijlage een instemmingsverklaring, ingekomen op 7 november 2024;
  • het F9-formulier van de wensouders, met bijlagen, ingekomen op 9 april 2025;
  • het advies van de Raad, ingekomen op 17 juli 2025.
1.2.
Er heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden.

2.De feiten

2.1.
De wensouders hebben sinds elf jaar een relatie en wonen achtenhalf jaar samen. Zij zijn op 15 oktober 2021 met elkaar gehuwd te Katwijk.
2.2.
De draagmoeder is alleenstaand en heeft twee kinderen
2.3.
De draagmoeder is bevriend met de wensouders. Zij wilde hen helpen bij het realiseren van hun kinderwens, omdat de wensouders niet via een ‘traditionele’ zwangerschap kinderen kunnen krijgen. Partijen hebben langdurig met elkaar gesproken over de gevolgen van het draagmoederschapstraject. Zij hebben de tijd genomen om hier goed over na te denken en zij hebben uitdrukkelijk met elkaar afspraken gemaakt over wat zij van elkaar verwachten, zowel voor, tijdens en na de zwangerschap. Alle partijen zijn bijgestaan door een eigen advocaat en zij hebben een counseling en medisch traject afgerond bij het Amsterdam UMC. Voorafgaand aan de start van de zwangerschap hebben de wensouders en de draagmoeder een draagmoederschapsovereenkomst gesloten (gedateerd op 27 februari 2024). Partijen hebben zich vervolgens gewend tot het Amsterdam UMC, locatie [locatie 2] , voor een hoogtechnologisch draagmoederschapstraject.
2.4.
[naam donateur] (hierna: [naam donateur] ) heeft zich bereid verklaard om een eicel te doneren. [naam donateur] is de zus van [wensouder 1] . Voor haar donatie hebben partijen een donorovereenkomst gesloten, waarbij [naam donateur] is bijgestaan door een eigen advocaat. Uit de eicel van [naam donateur] en het semen van [wensouder 2] is een embryo ontstaan, dat bij de draagmoeder is geplaatst en waaruit een zwangerschap is ontstaan.
2.5.
[wensouder 2] heeft [minderjarige] met toestemming van de draagmoeder voor de geboorte op 6 september 2024 erkend, waarbij is gekozen voor de geslachtsnaam “ [geslachtsnaam wensouder 2] ”.
2.6.
Uit de draagmoeder is op [geboortedatum 1] 2025 te [geboorteplaats 1] de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ) geboren.
2.7.
[minderjarige] verblijft sinds zijn geboorte met toestemming van de draagmoeder onafgebroken bij de wensouders en wordt door hen verzorgd en opgevoed.
2.8.
De wensouders en de draagmoeder hebben allen de Nederlandse nationaliteit.

3.Het verzoek

3.1.
De wensouders verzoeken de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat het gezag van de draagmoeder wordt beëindigd over [minderjarige] en dat de wensouders gezamenlijk met het ouderlijk gezag zullen worden belast;
II. de adoptie uit te spreken van [minderjarige] door [wensouder 1] , te verklaren dat de adoptie terugwerkt tot aan de geboorte en voor recht te verklaren dat de familierechtelijke betrekkingen tussen [wensouder 2] en [minderjarige] in stand blijven na de adoptie door [wensouder 1] ;
III. te verstaan dat na de adoptie beide wensouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] en daarvan aantekening te laten maken in het gezagsregister.
3.2.
De draagmoeder is het eens met de verzoeken van de wensouders.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.

4.De beoordeling

Relatieve bevoegdheid
4.1.
Nu de wensouders kiezen voor de rechtsmacht van de rechtbank Amsterdam en wensen dat de zaak niet wordt verwezen naar de bevoegde rechtbank en de draagmoeder evenmin om verwijzing heeft verzocht, acht de rechtbank zich bevoegd kennis te nemen van het onderhavige verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
Ouderlijk gezag
4.2.
De wensouders hebben de rechtbank verzocht het gezag over [minderjarige] te wijzigen, zodanig dat het gezag van de draagmoeder wordt beëindigd en de wensouders met het gezag over hem worden belast, in die zin dat [wensouder 2] met het gezag over hem wordt belast en direct daarna, op grond van artikel 1:253t BW, [wensouder 1] samen met hem, welke beslissingen dan uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
4.3.
Uit de overgelegde stukken blijkt de wensouders en de draagmoeder ervoor hebben gekozen dat de draagmoeder na de geboorte van [minderjarige] alleen het gezag over hem zal uitoefenen.
4.4.
De draagmoeder stemt in met het verzoek van de wensouders om haar ouderlijk gezag over [minderjarige] te beëindigen en de wensouders te belasten met het gezamenlijk ouderlijk gezag, zoals dat blijkt uit de door haar getekende instemmingsverklaring, gedateerd op 3 november 2024.
4.5.
De Raad adviseert het gezag van de draagmoeder te beëindigen en te bepalen dat [wensouder 2] wordt belast met het eenhoofdig gezag gezien het gegeven dat [wensouder 2] juridisch (en biologisch) vader van [minderjarige] is en sinds zijn geboorte voor hem zorgt. Volgens de Raad is het dan ook in het belang van [minderjarige] dat [wensouder 2] wordt belast met het gezag over hem.
Gezag [wensouder 2]
4.6.
Op grond van artikel 1:253b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: ‘BW’) is de (draag)moeder van rechtswege met het gezag over [minderjarige] belast. Artikel 1:253c BW bepaalt dat de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de (draag)moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Er zal bij de beoordeling een afweging van de mogelijkheden die ieder van de ouders aan het kind biedt/kan bieden, gemaakt worden en aan de hand daarvan wordt beoordeeld aan wie van de ouders het ouderlijk gezag het best kan worden opgedragen. Daarnaast wordt ook rekening gehouden met eventuele nadelen voor het kind verbonden aan een wijziging van het ouderlijk gezag.
4.7.
De rechtbank acht het in de onderhavige zaak in het belang van [minderjarige] dat het gezag van de draagmoeder zal worden beëindigd en dat [wensouder 2] met het gezag zal worden belast. Uit de stukken is gebleken dat [minderjarige] na zijn geboorte is opgenomen in het gezin van de wensouders en dat hij sindsdien door hen wordt opgevoed en verzorgd. De zwangerschap van de draagmoeder was vanaf het begin gericht op ouderschap voor de wensouders. De rechtbank is dan ook – met de Raad – van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] wenselijk is dat [wensouder 2] het gezag over [minderjarige] zal gaan uitoefenen. De rechtbank zal dit verzoek dan ook toewijzen en uitvoerbaar bij voorraad verklaren. De griffier zal worden opgedragen hiervan aantekening te maken in het gezagsregister.
Adoptie
4.8.
[wensouder 1] verzoekt de adoptie van [minderjarige] door hem uit te spreken. Hij legt aan zijn verzoek ten grondslag dat [minderjarige] onderdeel uitmaakt van het gezin van de wensouders, hetgeen van meet af aan de bedoeling is geweest. Hij verzoekt daarom de feitelijke en genetische situatie met de juridische situatie overeen te laten komen.
4.9.
De draagmoeder stemt in met het verzoek tot adoptie blijkens het instemmingsformulier van
3 november 2024. Zij heeft nimmer de intentie gehad de verzorgings- en opvoedingstaken op zich te nemen en zij heeft geen bezwaar tegen toewijzing van het verzoek.
4.10.
De Raad adviseert het verzoek tot adoptie af te wijzen nu de Raad het wenselijk acht om de officiële verzorgingstermijn van één jaar te handhaven, alvorens de adoptie wordt uitgesproken.
4.11.
Het betreft in deze een adoptieverzoek hier te lande en alle betrokkenen hebben de Nederlandse nationaliteit. De artikelen 1:227, 1:228 en 1:230 BW zijn van toepassing op dit verzoek.
4.12.
Volgens het bepaalde in artikel 1:227, tweede lid, BW kan een verzoek tot adoptie onder de omstandigheden zoals in dit geval, waarin de adoptant de echtgenoot is van de ouder, slechts worden gedaan, indien zij ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek met elkaar hebben samengeleefd. De rechtbank stelt vast dat aan dit vereiste door de wensouders is voldaan.
4.13.
Verder kan het verzoek alleen worden toegewezen, indien de adoptie in het kennelijk belang van het kind is, op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, en aan de voorwaarden, genoemd in artikel 1:228 BW, wordt voldaan.
4.14.
De rechtbank stelt vast dat aan de verzorgingstermijn van een jaar zoals bedoeld in artikel 1:228, eerste lid onder f, BW niet wordt voldaan. Immers was [minderjarige] op het moment van indiening van het adoptieverzoek nog niet geboren. Inmiddels is [minderjarige] zes maanden oud en woont hij sinds zijn geboorte bij de wensouders. Dit betekent dat (nog) niet is voldaan aan het vereiste dat [wensouder 1] hem een jaar heeft verzorgd.
4.14.1.
[wensouder 1] stelt zich onder meer op het standpunt dat deze wettelijke verzorgingstermijn in strijd is met het recht op eerbiediging van zijn privé-, familie- en gezinsleven en het non-discriminatiebeginsel als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in samenhang met artikel 14 EVRM. [wensouder 1] verwijst daarbij onder meer naar eerdere uitspraken van rechtbanken over dit onderwerp.
4.14.2.
De rechtbank is van oordeel dat de wettelijke verzorgingstermijn van één jaar met name is bedoeld om in het belang van een te adopteren minderjarige de bestendigheid van de verzorging en opvoeding van die minderjarige door de adoptiefouder te toetsen. In dit geval is sprake van een bijzondere situatie waarbij de vereiste termijn geen redelijk doel dient. De wensouders konden samen geen kinderen krijgen en zij hebben uiteindelijk besloten hun kinderwens via hoogtechnologisch draagmoederschap te realiseren, waarbij gebruik is gemaakt van een eicel van de zus van [wensouder 1] en semen van [wensouder 2] . De wensouders hebben samen vanaf de geboorte zorggedragen voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De rechtbank ziet daarom niet in waarom het verstrijken van de vereiste verzorgingstermijn van een jaar afgewacht zou moeten worden. Het is in het belang van [minderjarige] dat de feitelijke situatie, waarin de wensouders [minderjarige] als ouders verzorgen en opvoeden, juridisch wordt geformaliseerd. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de verzorgingstermijn van artikel 1:228 lid 1 sub f BW.
4.15.
Uit het vorenstaande volgt dat aan de in artikel 1:227 BW en 1:228 BW gestelde (overige) voorwaarden voor de adoptie is voldaan. De adoptie is in het kennelijke belang van [minderjarige] . Gelet op de door de draagmoeder ondertekende instemmingsverklaring is de rechtbank van oordeel dat vaststaat en naar de toekomst redelijkerwijs is te voorzien dat [minderjarige] niets meer van de draagmoeder in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft. Aldus zal de rechtbank het verzoek tot adoptie toewijzen.
Familierechtelijke betrekking
4.16.
De rechtbank wijst erop dat ingevolge artikel 1:229, derde lid, BW de familierechtelijke betrekking tussen de geadopteerde en zijn ouder en diens bloedverwanten blijft bestaan, indien de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van die ouder het kind adopteert.
Terugwerkende kracht adoptie
4.17.
De wensouders verzoeken aan de adoptie terugwerkende kracht toe te kennen zodat – bij toewijzing van de verzoeken – de familierechtelijke betrekking tussen [minderjarige] en de wensouders zo spoedig mogelijk kan worden gevestigd en ook terugwerkt tot aan de geboorte. De wensouders achten het ook in het belang van [minderjarige] dat de adoptie terugwerkt tot aan de geboorte. Nu [minderjarige] niet binnen de relatie van de wensouders is geboren, kunnen zij geen beroep doen op artikel 1:230, tweede lid, BW. Aangezien de wensouders geen andere juridische mogelijkheid hebben om voor de geboorte te verzoeken tot adoptie, verzoeken de wensouders dit artikel ook op hen toe te passen. De wensouders achten het in strijd met artikel 8 juncto artikel 14 EVRM als zij geen beroep kunnen doen op dit artikel.
4.17.1.
Hoewel de rechtbank van oordeel is dat er geen sprake is van een schenking van artikel 8 of 14 EVRM zal de rechtbank het verzoek van de wensouders wel toewijzen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Door geen terugwerkende kracht toe te kennen aan de adoptiebeslissing wordt er naar het oordeel van de rechtbank geen recht gedaan aan de intentie van alle partijen om het kind geboren te laten worden voor de wensouders. Partijen hebben gebruik gemaakt van een draagmoederschapsconstructie. De familierechtelijke aspecten van het draagmoederschap zijn (nog) niet in de wet geregeld. In het BW is tot op heden nog geen artikel te vinden over draagmoederschap. Wel is er op dit moment een wetsvoorstel aanhangig, namelijk het “Wetsvoorstel Wet kind, draagmoederschap en afstamming”. Dit wetsvoorstel voorziet in een wettelijke regeling voor nationaal en internationaal draagmoederschap. Het is onduidelijk of en wanneer dit voorstel zal worden behandeld. Het voorgaande betekent dat de positie van de draagmoeder, de eiceldonor en de wensouders juridisch niet zijn geregeld of beschermd. Er is in Nederland geen wetgeving die het mogelijk maakt om wensouders direct bij de geboorte juridisch ouders te laten zijn. Daarvoor moeten partijen naar de rechter. Pas na de geboorte van het kind kan het ouderschap juridisch worden overgedragen aan de wensouders. Uit de jurisprudentie van het EHRM blijkt dat het in het belang van het kind wordt geacht dat het een juridische band heeft met de personen die hem verzorgen en opvoeden, nog ongeacht of het een genetische band heeft. Daarbij is het in het belang van het kind dat de periode van onzekerheid over de juridische relatie met de wensouder(s) slechts van korte duur is. De rechtbank zal, gelet op de intentie van partijen, het ontbreken van wettelijke waarborgen op dit punt en het belang van het kind aan deze adoptiebeslissing dan ook terugwerkende kracht verlenen (vgl. ECLI:NL:RBAMS:2021:6139; ECLI:NL:RBAMS:2022:7803).
Geslachtsnaam na de adoptie
4.18.
[minderjarige] heeft reeds bij de erkenning de geslachtsnaam “ [geslachtsnaam wensouder 2] ” verkregen. De wensouders wensen dat hij deze geslachtsnaam na de adoptie zal behouden zodat er geen wijziging zal plaatsvinden.
Gezamenlijk gezag
4.18.1.
De wensouders verzoeken te verstaan dat zij na de adoptie gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] zijn belast en daarvan een aantekening te laten maken in het gezagsregister.
4.18.2.
Zoals volgt uit artikel 1:251 BW oefenen de wensouders van rechtswege het gezag over [minderjarige] gezamenlijk uit nadat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. De wensouders verzoeken echter per direct samen met het gezag te worden belast.
4.18.3.
Ingevolge artikel 1:253t BW kan indien het gezag over een kind bij één ouder berust, de rechtbank op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten. Ingevolge lid 2 van dit artikel wordt in het geval dat het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder, het verzoek slechts toegewezen, indien de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad. Deze periode stemt overeen met de periode van verzorging die vereist is voor adoptie (art. 1:228 lid 1 onderdeel f). Daarnaast dient de ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag belast te zijn.
4.18.4.
De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat de wensouders, totdat de beslissing ten aanzien van de adoptie in kracht van gewijsde is gegaan, reeds samen belast zullen zijn met het gezamenlijk ouderlijk gezag. Zoals hiervoor is overwogen, is [minderjarige] na zijn geboorte opgenomen in het gezin van de wensouders en wordt hij door hen verzorgd en opgevoed. De rechtbank zal het verzoek om voor deze periode [wensouder 1] op grond van artikel 1:253t BW tevens te belasten met het ouderlijk gezag daarom toewijzen en daarbij voorbijgaan aan de vereisten van lid 2. Immers is de rechtbank van oordeel dat deze termijnen in deze situatie geen redelijk doel dienen, mede gelet op het feit dat de wensouders nadat de adoptiebeslissing in kracht van gewijsde is gegaan, van rechtswege belast zullen zijn met de uitoefening van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Om te voorkomen dat de wensouders in de periode tot aan het in kracht van gewijsde gaan van de adoptiebeslissing problemen ondervinden vanwege het ontbreken van gezag bij [wensouder 1] , vindt de rechtbank het in het belang van [minderjarige] dat [wensouder 1] met [wensouder 2] wordt belast met het gezag over hem. Het verzoek van de wensouders wordt dan ook toegewezen.
4.18.5.
De beslissingen over het gezag zullen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van de draagmoeder
[draagmoeder], geboren op [geboortedatum 2] 1988 te [geboorteplaats 2] , en belast de wensouders
[wensouder 2], geboren op [geboortedatum 3] 1994 te [geboorteplaats 3] , en
[wensouder 1], geboren op [geboortedatum 4] 1992 te [geboorteplaats 4] , samen met de uitoefening van het ouderlijk gezag over de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2025 te [geboorteplaats 1] ;
voor zover de bevoegdheid daartoe niet door een eerdere rechterlijke beslissing is uitgesloten;
5.2.
verklaart de beslissing met betrekking tot het gezag uitvoerbaar bij voorraad en gelast inschrijving hiervan in het gezagsregister door de griffier;
5.3.
spreekt uit de adoptie door
[wensouder 1], geboren op [geboortedatum 4] 1992 te [geboorteplaats 4] , van de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2025 te [geboorteplaats 1] ;
5.4.
bepaalt dat de adoptie terug zal werken tot het tijdstip van de geboorte van de minderjarige;
5.5.
verstaat dat de familierechtelijke betrekking tussen
[wensouder 2]en
[minderjarige]in stand blijft na de adoptie;
5.6.
verstaat dat
[wensouder 2]en
[wensouder 1]het gezamenlijk gezag over voornoemde minderjarige zullen blijven uitoefenen na de adoptie;
5.7.
draagt de griffier op een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de [gemeente] .
Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. J. Kloosterhuis, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I.L. Mulder, griffier, op 28 oktober 2025. [1]

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).