Eiser, geboren in 2003 en lijdend aan de ziekte van Henoch Schonlein met chronische nierschade, vroeg op 30 maart 2023 een Wajong-uitkering aan. Verweerder wees deze aanvraag af op basis van rapporten van een primaire verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige, die stelden dat eiser geen arbeidsvermogen heeft, maar dit mogelijk in de toekomst kan ontwikkelen.
Na bezwaar verklaarde verweerder het bezwaar ongegrond, gesteund op een nieuw rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep die oordeelde dat eiser wel arbeidsvermogen heeft en maximaal vier uur per dag belastbaar is. Eiser betwistte dit oordeel en stelde dat de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende was, met name omdat deze uitging van een normale nierfunctie en een gedragscomponent zonder voldoende onderbouwing.
De rechtbank oordeelde dat het verschil tussen de primaire verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep een omslag betreft die beter en uitgebreider gemotiveerd had moeten worden. Het motiveringsgebrek betreft onder meer het onduidelijk onderbouwen van de maximale belastbaarheid en het niet aannemelijk maken van de gedragscomponent. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen zes weken na het verstrijken van de beroepstermijn.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser. De rechtbank wees een verzoek om benoeming van een deskundige af wegens onvoldoende aanleiding.