ECLI:NL:CRVB:2025:1469
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant werkte als HWP monteur en viel uit op 10 september 2018. Na een initiële vaststelling van 80-100% arbeidsongeschiktheid kende het UWV vanaf 7 september 2020 een WGA-loonaanvullingsuitkering toe. In 2022 vond een herbeoordeling plaats waarbij een arts en arbeidsdeskundige beperkingen vaststelden en het UWV het uitkeringsbesluit handhaafde.
In 2023 stelde de verzekeringsarts bezwaar en beroep minder beperkingen vast dan de primaire arts en stelde een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op met minder beperkingen, wat leidde tot een berekende arbeidsongeschiktheid van 27,94%. Het UWV maakte het voornemen bekend om de uitkering te beëindigen per 16 juni 2023, met inachtneming van een uitlooptermijn.
Appellant voerde aan dat hij onvoldoende betrokken was bij de bezwaarprocedure en dat de motivering van de verzekeringsarts onvoldoende was. Ook stelde hij dat de uitlooptermijn niet juist was toegepast. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit. De Centrale Raad van Beroep volgde dit oordeel, wees het hoger beroep af wegens strijd met de goede procesorde voor te late beroepsgronden en bevestigde dat de uitlooptermijn correct was toegepast.
De Raad oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen inzichtelijk en deugdelijk had gemotiveerd en dat appellant geen medische stukken had overgelegd die twijfel zaaiden aan deze conclusies. Het hoger beroep werd verworpen en de beëindiging van de WIA-uitkering bleef in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering per 16 juni 2023 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.