AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toestemming overlevering opgeëiste persoon aan Duitsland ondanks mogelijke Nederlandse betrokkenheid
De rechtbank Amsterdam behandelde op 30 oktober 2025 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Kantongerecht Koblenz, Duitsland, gericht op de overlevering van een persoon geboren in 1981 zonder vaste verblijfplaats in Nederland. De opgeëiste persoon werd verdacht van illegale handel in verdovende middelen, een lijstfeit waarvoor in Duitsland een gevangenisstraf van ten minste drie jaar kan worden opgelegd.
Hoewel de feiten deels op Nederlands grondgebied zouden zijn gepleegd, heeft de rechtbank besloten af te zien van de weigeringsgrond van artikel 13 OLWPro, omdat het onderzoek en de vervolging in Duitsland plaatsvinden en het Openbaar Ministerie in Nederland geen vervolging nastreeft. De rechtbank benadrukte dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering.
De rechtbank concludeerde dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat geen andere weigeringsgronden van toepassing zijn. Daarom werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk, conform de Overleveringswet.
Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Duitsland toe ondanks gedeeltelijke Nederlandse betrokkenheid bij de feiten.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-225757-25
Datum uitspraak: 30 oktober 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 26 augustus 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 juni 2023 door het Kantongerecht Koblenz, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieplaats],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1.Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht om bij de behandeling aanwezig te zijn. Hij is vertegenwoordigd door zijn daartoe door hem gemachtigd raadsman, mr. M. Jonk, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek op de zitting de gevangenhouding bevolen.
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.
3.Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van het Kantongerecht Koblenz van 12 juni 2023 met dossiernummer 30 Gs 5232/23 - 51 Js 550/22.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]
4.Strafbaarheid
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLWPro
Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. [4]
De officier van justitie verzoekt de rechtbank van deze weigeringsgrond af te zien en voert daartoe het volgende aan. Het onderzoek naar de strafbare feiten is in Duitsland aangevangen, het bewijs bevindt zich daar en de medeverdachten worden ook in Duitsland vervolgd. Daarnaast is het Openbaar Ministerie niet voornemens om vervolging in te stellen.
De rechtbank stelt voorop dat aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn. Daarnaast is de gedachte achter de facultatieve weigeringsgrond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW dat voorkomen moet worden dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet zal worden vervolgd.
De rechtbank is, gelet op wat de officier van justitie heeft aangevoerd, van oordeel dat de omstandigheid dat de feiten worden geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding is om de weigeringsgrond toe te passen.
6.Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLWPro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.
7.Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 7 en 13 OLW.
8.Beslissing
STAAT TOEde overlevering van [opgeëiste persoon]aan het Kantongerecht Koblenz, Duitsland, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.G.M.M. van Gessel, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.C. Hooibrink, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 oktober 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.