ECLI:NL:RBAMS:2025:8246

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
3 november 2025
Zaaknummer
13-282823-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak inzake Europees aanhoudingsbevel en verdedigingsrechten

Op 30 oktober 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam een tussenuitspraak gedaan in een zaak betreffende een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat is uitgevaardigd door de regionale rechtbank in Poznań, Polen. De zaak betreft de opgeëiste persoon, geboren in Polen in 1982, die wordt gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf van 150 dagen. De rechtbank heeft vastgesteld dat er vragen zijn over de omzettingsbeslissing van een taakstraf naar een vrijheidsbenemende straf, en of de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd en het onderzoek heropend om aanvullende informatie te verkrijgen van de Poolse autoriteiten. De rechtbank heeft ook vastgesteld dat de verjaringstermijn voor de opgelegde straf is verlopen, maar dat er geen reden is om af te zien van de weigeringsgrond. De zaak zal opnieuw worden behandeld voor 17 november 2025, waarbij de rechtbank de officier van justitie de gelegenheid biedt om de benodigde informatie te verkrijgen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-282823-24
Datum tussenuitspraak: 30 oktober 2025
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 25 augustus 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 juni 2025 door
the Regional Court in Poznańin Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1982,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.A.J. van Dam, advocaat in Gouda, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
default judgment of the District Court in Piłavan 25 oktober 2012 (referentie II K 699/12) en een
decision of the District Court in Piłavan 21 februari 2013 (referentie II Ko 238/13) waarmee de bij het vonnis van 25 oktober 2012 opgelegde vrijheidsbeperkende straf is vervangen door een vrijheidsbenemende straf van 150 dagen.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van laatstgenoemde vrijheidsbenemende straf van 150 dagen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Vonnis van 25 oktober 2012 (referentie II K 699/12)
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing van 25 oktober 2012 heeft geleid, waarbij de vrijheidsbeperkende straf is opgelegd. Uit onderdeel d) van het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon op 17 september 2012 in persoon is gedagvaard, daarbij op de hoogte is gesteld van de tijd en plaats van de zitting en is geïnformeerd dat een beslissing kan worden genomen als hij niet verschijnt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW, waardoor de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is ten aanzien van het vonnis van 25 oktober 2012.
Beslissing van 21 februari 2013 (referentie II Ko 238/13)
De vraag is vervolgens of de beslissing van 21 februari 2013 tot oplegging van de vrijheidsbenemende straf valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW en dus eveneens aan die bepaling moet worden getoetst.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof van Justitie) van 23 maart 2023 [4] volgt dat een beslissing inzake de tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder uitgesproken vrijheidsstraf in beginsel geen beslissing vormt die valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. Daarnaast volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 9 oktober 2025 [5] dat van een beslissing inzake de tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder uitgesproken vrijheidsstraf in ieder geval geen sprake is indien – kort gezegd – aan de betrokkene – ter vervanging van een vrijheidsbeperkende straf – een vrijheidsbenemende straf wordt opgelegd waartoe hij nog niet eerder, ook niet in voorwaardelijke zin, was veroordeeld en waarbij de rechter heeft beschikt over een beoordelingsbevoegdheid (om de vrijheidsbeperkende straf om te zetten in een vrijheidsbenemende straf).
Nu uit het EAB en de aanvullende informatie van 15 september 2025 volgt dat met de beslissing van 21 februari 2013 de vrijheidsbeperkende werkstraf is vervangen door een vrijheidsbenemende straf waartoe de opgeëiste persoon nog niet was veroordeeld met het vonnis van 25 oktober 2012, is de rechtbank van oordeel dat deze beslissing heeft te gelden als een beslissing die valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. De rechtbank beschikt ten aanzien van die beslissing echter over onvoldoende informatie om te kunnen toetsen of de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten al dan niet heeft kunnen uitoefenen tijdens het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De rechtbank zal daarom het onderzoek ter zitting heropenen en schorsen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen om onderdeel d) van het EAB in te vullen ten aanzien van de beslissing van 21 februari 2013 en daarnaast, indien nodig, de volgende vragen te beantwoorden. Indien de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces en er - kort gezegd – geen sprake is van één van de in artikel 4bis, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ genoemde omstandigheden, kunnen dan de volgende vragen worden beantwoord:
  • was de opgeëiste persoon op de hoogte van het proces dat heeft geleid tot de beslissing van 21 februari 2013?
  • heeft de opgeëiste persoon in de strafrechtelijke procedure een adres verstrekt waarop hij gedurende de strafrechtelijke procedure bereikbaar zou zijn voor de Poolse autoriteiten? En, zo ja:
o is hem meegedeeld dat hij iedere adreswijziging aan de Poolse autoriteiten moest doorgeven?
o gold deze zogenoemde ‘adresinstructie’ voor de gehele procedure (dus ook voor de ‘vervangingsprocedure’)?
o was het voor de opgeëiste persoon duidelijk en kenbaar dat de adresinstructie zich ook tot de ‘vervangingsprocedure’ uitstrekte?
o is de oproeping/zijn de oproepingen voor het proces dat tot de beslissing van 21 februari 2013 heeft geleid ook daadwerkelijk aan het door de overgeleverde persoon opgegeven adres gezonden?
Gelet op het aflopen van de beslistermijn op 17 november 2025 en het feit dat door partijen ter zitting al uitgebreid een standpunt is ingenomen over de overige voorwaarden voor overlevering waaraan moet worden getoetst, bespreekt de rechtbank hieronder die overige voorwaarden.

4.Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

5.1
Gelijkstelling
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de opgeëiste persoon met de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000.
Aan de eerste voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 9 oktober 2025 volgt dat niet de verwachting bestaat dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest naar aanleiding van de feiten in het EAB.
Ook aan de tweede voorwaarde is voldaan.
5.2
Verstrijking van de tenuitvoerleggingstermijn
De rechtbank stelt vast dat gelijkstelling van de opgeëiste persoon met een Nederlander ertoe leidt dat naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend ten aanzien van het feit waarvoor de opgeëiste persoon in het vonnis van 25 oktober 2012 is veroordeeld.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw stelt zich primair op het standpunt dat de overlevering op grond van artikel 9, eerste lid, onder f, OLW moet worden geweigerd, omdat de termijn voor tenuitvoerlegging van de straf naar Nederlands recht is verjaard. Subsidiair stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat de in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgrond van artikel 2.13, eerste lid, aanhef en onder g), Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS), die ziet op verjaring, in de weg staat aan overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. De raadsvrouw ziet geen reden om af te zien van de weigeringsgrond van verjaring omdat er al geruime tijd is verstreken sinds het moment van verjaring, het gaat om een oud feit van meer dan dertien jaar geleden, de opgeëiste persoon sinds 2009 ingeschreven staat in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) en hij in Nederland niet voor soortgelijke delicten in aanraking is gekomen met justitie.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich – onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank [6] – op het standpunt dat de straf overgenomen moet worden. Weliswaar is de termijn voor tenuitvoerlegging van de straf naar Nederlands recht is verjaard, maar moet er worden afgezien van deze weigeringsgrond. Allereerst moet voorkomen worden dat sprake is van straffeloosheid. Verder is de tenuitvoerleggingstermijn sinds 2021, en daarmee relatief kortgeleden, verjaard en uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon zich heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van de straf. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon belang bij de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland rekening houdend met het feit dat de straf in Polen of in een andere lidstaat, nog steeds ten uitvoer kan worden gelegd wanneer de rechtbank de overlevering weigert.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft onder punt 4 vastgesteld dat de opgeëiste persoon in Polen is veroordeeld voor het plegen van een eenvoudige belediging terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Op grond van artikel 70, eerste lid en onder 2°, Wetboek van Strafrecht (Sr) geldt hiervoor een verjaringstermijn van zes jaar. In artikel 6:1:22, tweede lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) staat dat de tenuitvoerleggingstermijn een derde langer is dan de termijn van verjaring van het recht tot strafvordering. Dat betekent dat de tenuitvoerleggingstermijn voor dit feit na acht jaar verjaart.
De rechtbank stelt vast dat gekeken moet worden naar de verjaring van de beslissing van 21 februari 2013 waarmee de vrijheidsbeperkende werkstraf is vervangen door een vrijheidsbenemende straf . Op grond van artikel 6:1:23 Sv is de verjaringstermijn aangevangen op de eerste dag nadat het vonnis onherroepelijk is geworden. Ervan uitgaande dat dit in 2013 is gebeurd, is de tenuitvoerleggingstermijn in 2021 verjaard. Dit betekent dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW van toepassing is. Hetzelfde geldt voor de in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a OLW juncto artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder g, WETS bedoelde facultatieve weigeringsgrond.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van voornoemde weigeringsgrond. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat sprake is van een oud feit (gepleegd in 2012) van relatief geringe ernst, terwijl de opgeëiste persoon al meer dan tien jaar in de BRP geregistreerd staat en in Nederland verblijft en hier zijn leven heeft opgebouwd met zijn vrouw en kinderen. Bovendien heeft de opgeëiste persoon verklaard dat hij zich realiseert wat de consequenties zijn van een weigering op deze grond, maar dat hij (ondanks de consequenties) de rechtbank verzoekt om de weigeringsgrond toe te passen.
De rechtbank komt echter pas toe aan een definitief oordeel over de weigeringsgrond van artikel 6a OLW wanneer zij over de aanvullende informatie beschikt die nodig is om te kunnen oordelen over de weigeringsgrond van artikel 12 OLW, zoals onder 3 is overwogen. De mogelijkheid bestaat immers dat die informatie ertoe leidt dat de overlevering wordt geweigerd op grond van artikel 12 OLW.

7.Beslissing

HEROPENThet onderzoek ter zitting onder gelijktijdige schorsing voor onbepaalde tijd teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 3.1 vermelde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.
BEPAALTdat de zaak uiterlijk één week voor 17 november 2025 (einde van de 90-dagen termijn) weer op zitting wordt gepland.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon en zijn raadsman tegen het nader te bepalen tijdstip.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen het nader te bepalen tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.G.M.M. van Gessel, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.C. Hooibrink, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 oktober 2025.
De voorzitter, oudste rechter en griffier zijn buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (
5.HvJ EU 9 oktober 2025, C798/23, ECLI:EU:C:2025:763 (
6.Rechtbank Amsterdam 22 april 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:2632.