ECLI:NL:RBAMS:2025:8270

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 oktober 2025
Publicatiedatum
4 november 2025
Zaaknummer
9062650 \ CV EXPL 21-3522
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over prejudiciële vragen inzake de bestelknop en de gevolgen voor consumentenovereenkomsten

In deze zaak, behandeld door de Rechtbank Amsterdam, heeft de kantonrechter op 23 oktober 2025 een tussenuitspraak gedaan in een civiele procedure tussen de besloten vennootschap Huurgemak B.V. en een niet verschenen gedaagde. De procedure betreft de vraag of prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie moeten worden gesteld over de bestelknop in het bestelproces. De kantonrechter heeft eerder, in een tussenvonnis van 5 juni 2025, het voornemen geuit om dergelijke vragen te stellen, maar komt hierop terug na argumenten van Huurgemak. De kantonrechter oordeelt dat de bestelknop niet voldoet aan de eisen van artikel 6:230l lid 3 van het Burgerlijk Wetboek, wat leidt tot de oplegging van een sanctie. Huurgemak heeft niet op duidelijke wijze de gedaagde geïnformeerd over het ontbindingsrecht en de totale prijs, wat ook tot sancties leidt. De kantonrechter onderzoekt de bedingen in de overeenkomst en de algemene voorwaarden op oneerlijkheid, waarbij enkele bedingen als oneerlijk worden aangemerkt. De zaak wordt aangehouden voor verdere beoordeling en Huurgemak krijgt de gelegenheid om zich uit te laten over de vernietiging van de oneerlijke bedingen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 9062650 \ CV EXPL 21-3522
Vonnis van 23 oktober 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HUURGEMAK B.V.,
gevestigd te Steenwijk,
eisende partij,
hierna te noemen: Huurgemak,
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 5 juni 2025. In dat tussenvonnis heeft de kantonrechter het voornemen kenbaar gemaakt prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). Huurgemak is in de gelegenheid gesteld zich daarover bij akte uit te laten.
1.2.
Huurgemak heeft bij akte van 3 juli 2025 gereageerd.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Huurgemak heeft bij akte aangevoerd, kort gezegd, dat zij zich aansluit bij de door de Hoge Raad gegeven uitleg over de bestelknop. Huurgemak merkt op dat niet alleen de consument, maar ook zij bescherming geniet, nu zij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst aan alle bepalingen heeft voldaan. Zij mag niet de dupe worden van in de tussentijd gewijzigde omstandigheden of regelgeving, dan wel het (afwijkende) oordeel van het Hof, aldus Huurgemak.
2.2.
Ondanks dat de kantonrechter het belang van het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof over de gevolgen van een onjuiste bestelknop blijft onderschrijven, wordt, mede gelet op wat Huurgemak bij akte heeft aangevoerd, aanleiding gezien om in deze zaak terug te komen op het eerder kenbaar gemaakte voornemen om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof, ook nu in het bestelproces elementen zijn gebleken die voor tweeërlei uitleg vatbaar zijn waardoor vragen aan het Europees Hof mogelijk niet de gewenste duidelijkheid zouden kunnen geven over de bestelknop.
2.3.
De zaak zal daarom verder worden beoordeeld en beslist naar de huidige stand van zaken in de jurisprudentie en de praktijk. De kantonrechter blijft bij het eerder uitgesproken oordeel dat de bestelknop niet voldoet aan het bepaalde in artikel 6:230l lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zodat daarvoor een sanctie zal worden opgelegd. Voor de hoogte van deze sanctie wordt aangesloten bij de meest recente versie van het landelijke sanctiemodel. In dat sanctiemodel is rekening gehouden met wat de Hoge Raad heeft beslist over de bestelknop in zijn arrest van 4 oktober 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1355), waaraan Huurgemak zich, naar eigen zeggen, refereert.
2.4.
Huurgemak heeft [gedaagde] tijdens het bestelproces niet op duidelijke en begrijpelijke wijze (volledig en/of juist) geïnformeerd over het ontbindingsrecht. Huurgemak erkent dat ook in haar akte van 1 augustus 2024. Evenmin heeft Huurgemak [gedaagde] geïnformeerd over de totale prijs. Weliswaar is de prijs per maand genoemd, maar de totale prijs, dus over de gehele looptijd, is niet gegeven. Niet precontractueel en niet contractueel. Hiervoor zal ook een sanctie worden opgelegd, conform de laatste versie van het landelijke sanctiemodel. Huurgemak heeft in haar akte van 1 augustus 2024 voldoende aannemelijk gemaakt dat zij [gedaagde] wel heeft geïnformeerd over het geografische adres en de contactgegevens.
2.5.
Het voorgaande leidt ingevolge het sanctiemodel in deze verstekzaak tot gedeeltelijke vernietiging van de betalingsverplichting van [gedaagde] , bestaande uit een vermindering van de hoofdsom met 60%.
2.6.
Naast de informatieplichten moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
2.7.
Het beding over de prijs is een kernbeding. Ingevolge artikel 4 lid 2 van de richtlijn moeten kernbedingen alleen op oneerlijkheid worden getoetst als deze op duidelijke en begrijpelijke wijze zijn geformuleerd en dus transparant zijn. Ondanks dat in de overeenkomst de totale prijs niet is gegeven, kan deze wel worden berekend door de prijs per maand te vermenigvuldigen met 36 (de overeenkomst heeft minimale een looptijd van 36 maanden). Dat betekent dat de economische gevolgen van het sluiten van de overeenkomst voldoende kunnen worden ingeschat, het prijsbeding daarmee transparant is en daarom niet op oneerlijkheid wordt getoetst.
2.8.
In de overeenkomst en de daarop van toepassing verklaarde algemene voorwaarden staan bedingen die aan de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd. Op grond van de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) moet de kantonrechter ook als Huurgemak zich in de procedure niet beroept op het toepasselijke beding, maar op de wet, ambtshalve onderzoeken of het beding in de voorwaarden waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, kan ingevolge deze arresten geen aanspraak meer worden gemaakt op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest en moet haar vordering op dit punt worden afgewezen.
2.9.
De bedingen die voor de beoordeling van belang zijn, luiden als volgt.
Artikel 5.7 van de algemene voorwaarden:
5.7
Indien de betaling niet voor het verstrijken van de vervaldatum op de aanmaning wordt voldaan, dan is de Huurder, vanaf het verstrijken van de vervaldatum, de wettelijke rente verschuldigd en heeft HuurGemak het recht de vordering uit handen te geven. Alle gerechtelijke en buitengerechtelijke incassokosten die HuurGemak moet maken om de vordering te incasseren komen voor rekening van de Huurder. De buitengerechtelijke incassokosten worden vastgesteld overeenkomstig de Wet Incassokosten.
Artikel 10.1 en 10.2 van de algemene voorwaarden:
10.1.
HuurGemak heeft het recht om de Huurovereenkomst zonder gerechtelijke tussenkomst, zonder ingebrekestelling en met onmiddellijke ingang middels een schriftelijke verklaring te ontbinden, onverminderd haar recht op vergoeding van schade, kosten en interest, onder andere indien:
a. de Huurder in gebreke is in enige bepaling van de Huurovereenkomst behoorlijk na te komen;
(…)
10.2.
Bij ontbinding van de Huurovereenkomst ingevolge lid 1a t/m 1j van dit artikel dient de Huurder, de resterende huurtermijnen terstond in zijn geheel te betalen.
2.10.
Huurgemaakt heeft de overeenkomst per 31 oktober 2020 ontbonden. Niet duidelijk is hoe lang de overeenkomst op dat moment liep, omdat dat afhankelijk is van het moment van levering van de fiets. In ieder geval heeft, gelet op het moment van sluiten van de overeenkomst, de overeenkomst geen langere looptijd gehad dan 9 maanden.
2.11.
Huurgemak maakt aanspraak op betaling van alle huurtermijnen op grond van het hiervoor geciteerde beding in artikel 10.1 onder a en artikel 10.2 van de algemene voorwaarden. Deze bedingen moeten worden getoetst op oneerlijkheid. Nu Huurgemak voor iedere tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst – hoe gering ook – de overeenkomst zonder ingebrekestelling onmiddellijk kan ontbinden, in dat geval aanspraak kan maken op alle resterende huurtermijnen, terwijl de consument de fiets moet inleveren en Huurgemak daarnaast nog schadevergoeding kan vorderen, wordt het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen onevenredig verstoord ten nadele van de consument. Op grond van de wettelijke regeling moet een tekortkoming ontbinding ook rechtvaardigen. In het beding wordt dat vereiste niet gesteld. Ook bij een zeer geringe tekortkoming kan Huurgemak, ter vrije beoordeling van Huurgemak (door de toevoeging ‘behoorlijk’), direct de overeenkomst ontbinden en alle prestaties van de consument volledig opeisen, terwijl zij zelf niet meer hoeft te presteren. Er wordt dan ook aanzienlijk ten nadele van de consument afgeweken van de wettelijke regeling. Het beding wordt daarom als oneerlijk aangemerkt.
2.12.
Het rentebeding en het incassokostenbeding worden niet als oneerlijk aangemerkt, omdat wordt verwezen naar c.q. aangesloten bij de wettelijke regelingen hierover.
2.13.
Het beding over de proceskosten in artikel 5.7 van de algemene voorwaarden wordt als oneerlijk aangemerkt, omdat alle gerechtelijke kosten voor rekening van de consument komen. Het beding wijkt ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling over de proceskosten. De lat voor een volledige proceskostenveroordeling ligt in rechte hoog. Dan moet bijvoorbeeld sprake zijn van misbruik van recht. Het beding maakt een volledige proceskostenveroordeling te allen tijde mogelijk. De Hoge Raad heeft beslist dat een beding dat het mogelijk maakt de volledige proceskosten bij een consument in rekening te brengen als oneerlijk is aan te merken (ECLI:NL:HR:2025:820).
2.14.
De kantonrechter is voornemens de hiervoor besproken bedingen die als oneerlijk zijn aangemerkt ambtshalve te vernietigen. Gevolg hiervan is dat Huurgemak zich daar niet meer op kan beroepen en [gedaagde] daar niet aan is gebonden. Voordat tot vernietiging wordt overgegaan mag Huurgemak zich daarover uitlaten.
2.15.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van
donderdag 20 november 2025 om 10.00 uurvoor akte uitlating door Huurgemak over het bepaalde in overweging 2.14,
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op
23 oktober 2025.
991