Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2025:834

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 februari 2025
Publicatiedatum
11 februari 2025
Zaaknummer
13/382997-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326e SrArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6a OLWArt. 7 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering en overname tenuitvoerlegging voorwaardelijke vrijheidsstraf uit Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 23 januari 2025 een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Polen voor de overlevering van een Poolse man die een voorwaardelijke vrijheidsstraf van acht maanden opgelegd kreeg. De straf was omgezet in een onvoorwaardelijke tenuitvoerlegging wegens het niet nakomen van voorwaarden, maar niet wegens een nieuw strafbaar feit.

De verdediging voerde aan dat de omzetting onterecht was en dat de beslissing tot tenuitvoerlegging op onjuiste gronden was genomen. De officier van justitie stelde dat het vertrouwensbeginsel geldt en dat de informatie van de Poolse autoriteiten juist is. De rechtbank oordeelde dat de toetsing van de omzetting niet in de overleveringsprocedure thuishoort en verwierp het verweer.

Verder stelde de rechtbank vast dat de verdachte niet in persoon was verschenen bij het Poolse proces, maar dat hij op de hoogte was van de procedure en stilzwijgend afstand had gedaan van zijn recht op verschijning. Hierdoor werd geen schending van verdedigingsrechten aangenomen.

Op grond van artikel 6a OLW werd vastgesteld dat de verdachte ten minste vijf jaar rechtmatig in Nederland verblijft en zijn verblijfsrecht niet zal verliezen door de straf. De rechtbank concludeerde dat de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland kan worden overgenomen en dat de overlevering aan Polen geweigerd moet worden. De verdachte blijft in Nederland gevangen tot aan de tenuitvoerlegging van de straf.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering aan Polen en beveelt de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/382997-24
Datum uitspraak: 6 februari 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 12 december 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 15 november 2023 door
the Circuit Court in Kalisz, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1989,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 23 januari 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat te Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt:
  • een vonnis van 28 februari 2017 van
  • een beslissing van 22 juni 2018 tot tenuitvoerlegging van de opgelegde straf van
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze vrijheidsstraf is blijkens aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 15 januari 2025 voorwaardelijk aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis, met een proeftijd van 2 jaar. De tenuitvoerlegging van deze straf is bij de hiervoor genoemde beslissing van 22 juni 2018 bevolen vanwege het niet nakomen van verschillende voorwaarden en niet vanwege de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit tijdens de proeftijd.
Het vonnis van 28 februari 2017 (VII K 736/16) betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [2]
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ter zitting bepleit dat de voorwaardelijke vrijheidsstraf ten onrechte bij de beslissing tot tenuitvoerlegging van 22 juni 2018 van
the District Court in Kaliszis omgezet in een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. De reden voor de omzetting zou liggen in het feit dat de opgeëiste persoon niet aan zijn verplichting tot betalen van schadevergoeding en tot het doorgeven van adreswijzigingen heeft voldaan. Dit is onjuist, zodat deze beslissing tot tenuitvoerlegging op onjuiste gronden is genomen. Daarmee is geen sprake van een Pools voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis of een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing, zodat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 2 OLW Pro. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om hierover nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uitgegaan moet worden van het vertrouwensbeginsel en daarmee van de juistheid van de informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit in het EAB. Los daarvan heeft de officier van justitie gesteld dat de opgeëiste persoon blijkens de overgelegde stukken te laat is gaan voldoen aan de hem in Polen opgelegde betalingsverplichting. Bovendien lijkt het in die stukken te gaan om een andere zaak dan die waarop het EAB ziet.
Het oordeel van de rechtbank
Gelet op het vertrouwensbeginsel is de vraag of
the District Court in Kaliszterecht tot de beslissing tot tenuitvoerlegging van het vonnis is gekomen, niet een vraag die in het kader van de overleveringsprocedure aan de rechtbank ter beoordeling voorligt. Het verweer van de raadsman slaagt daarom niet. Om die reden ziet de rechtbank ook geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden om nadere informatie op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit over de vraag of de opgeëiste persoon al dan niet tijdig voldaan heeft aan de hem opgelegde schadevergoedingsplicht.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

De facultatieve weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro ziet op de toetsing van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in de procedures die ten grondslag liggen aan het EAB. In dit artikel is bepaald dat overlevering kan worden geweigerd wanneer de opgeëiste persoon niet is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid, tenzij zich één van de in dat artikel onder a tot en met d genoemde omstandigheden voordoet.
De vrijheidsstraf is aanvankelijk bij het vonnis van 28 februari 2017 van
the District Court in Kaliszin voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van
the District Court in Kaliszvan 22 juni 2018 is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen.
De procedure die heeft geleid tot het vonnis van 28 februari 2017 (II K 736/16) moet in ieder geval aan artikel 12 OLW Pro worden getoetst.
De beslissing tot tenuitvoerlegging van 22 juni 2018 (III Ko 232/18) zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro.
Verder blijkt uit de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie dat aan de tenuitvoerleggingsbeslissing niet een veroordeling voor het plegen van een nieuw strafbaar feit tijdens de proeftijd ten grondslag ligt. Er is dus geen sprake van een veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ook aan artikel 12 OLW Pro moet worden getoetst. [3]
Dit betekent dat de rechtbank geen andere beslissing aan artikel 12 OLW Pro hoeft te toetsen dan de veroordeling waarbij de voorwaardelijke straf is opgelegd.
De rechtbank stelt ten aanzien van die veroordeling – het vonnis van 28 februari 2017 – vast dat de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat het - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Uit de informatie onder 2 in onderdeel d) van het EAB in samenhang gelezen met de aanvullende informatie van 15 januari 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon in de loop van de procedure een verklaring heeft afgelegd en schuld heeft bekend ten aanzien van de feiten waarvan hij beschuldigd werd. Vervolgens is hij op 21 december 2016 in persoon opgeroepen voor de
hearingop 28 februari 2017 op het adres dat hij zelf had opgegeven. De opgeëiste persoon heeft voor ontvangst van deze oproeping getekend. Op deze
hearingzou worden besproken of de strafoplegging zonder zitting zou kunnen worden bepaald. De opgeëiste persoon is niet op deze
hearingverschenen, die uiteindelijk heeft geleid tot de oplegging van de voorwaardelijke vrijheidsstraf van acht maanden. Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de feiten waarvan hij werd verdacht en van de omstandigheid dat een strafrechtelijke procedure tegen hem liep. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom in deze situatie worden vastgesteld dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon impliceert, omdat hij uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij de
hearingwaar hij had kunnen vragen om een behandeling van zijn zaak op een zitting.

6.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
-
oplichting.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

7.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 20 januari 2025 volgt dat de strafrechtelijke feiten waarvoor de opgeëiste persoon in Polen is veroordeeld er niet toe zullen leiden dat hij zijn verblijfsrecht zal verliezen.
Ook aan deze voorwaarde is voldaan.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
De feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:
-
een beroep of gewoonte maken van het door middel van een geautomatiseerd werk verkopen van goederen tegen betaling met het oogmerk om zonder volledige levering zich van de betaling van die goederen te verzekeren.
Uit de Nederlandse kwalificatie volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet het toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaximum overstijgt.
De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische banden met Nederland heeft, zodat de overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal bijdragen aan de maatschappelijke re-integratie van de opgeëiste persoon.
De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.

8.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.

9.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 326e Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a en 7 OLW.

10.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Circuit Court in Kalisz,Polen.
BEVEELTde tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
HEFT OPde overleveringsdetentie van
[opgeëiste persoon]
BEVEELTde gevangenhouding van
[opgeëiste persoon]tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mr. B. van Galen en mr. B.M. Vroom-Cramer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Ç.H. Dede, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 6 februari 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie onderdeel e) van het EAB.
3.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (