De rechtbank Amsterdam behandelde op 29 oktober 2025 de vordering van de officier van justitie tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse justitiële autoriteit. De opgeëiste persoon, een Poolse staatsburger, werd verdacht van een strafbaar feit en was gedetineerd in Polen.
Eerder, op 25 september 2025, had de rechtbank een tussenuitspraak gedaan waarin werd vastgesteld dat er een individueel gevaar bestond voor onmenselijke of vernederende behandeling vanwege de detentieomstandigheden in Polen. De rechtbank had de beslissing aangehouden en een redelijke termijn gesteld voor het aanleveren van aanvullende informatie.
De Poolse autoriteiten verstreken aanvullende informatie over de detentieomstandigheden, waaronder het recht op een uur wandelen per dag en deelname aan culturele en educatieve activiteiten ongeveer twee uur per week. De raadsman van de opgeëiste persoon betoogde dat deze informatie onvoldoende garanties bood dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk minimaal twee uur per dag buiten zijn cel zou verblijven.
De rechtbank oordeelde dat de aanvullende informatie niet voldeed aan de vereisten om het algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling uit te sluiten. Er ontbrak concrete informatie over de dagelijkse duur en omstandigheden van activiteiten buiten de cel. De redelijke termijn was verstreken zonder wijziging van omstandigheden, waarna de rechtbank geen gevolg gaf aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaarde in de vordering tot in behandeling nemen van het EAB.