De huurder exploiteerde een tabakswinkel in een bedrijfsruimte met bijbehorende woning, welke door de burgemeester voor zes maanden werd gesloten vanwege de vondst van harddrugs en illegale vapes. De verhuurder ontbond daarop de huurovereenkomst buitengerechtelijk en vorderde ontruiming en schadevergoeding.
De huurder voerde aan dat ontbinding disproportioneel was en dat hij niets wist van de drugs. De kantonrechter oordeelde dat de ontbinding gegrond was, omdat de sluiting van de bedrijfsruimte een geldige grond voor ontbinding vormt en de huurder verantwoordelijk is voor het gebruik van het gehuurde door derden.
De ontruiming werd toegewezen met een termijn van zeven dagen na opheffing van de sluiting voor de bedrijfsruimte en veertien dagen na betekening voor de woning. Tevens werd een schadevergoeding voor de huurpenningen toegewezen en de huurder veroordeeld in de proceskosten. Het belang van de verhuurder en de ernst van de situatie wogen zwaarder dan de belangen van de huurder en zijn gezin.