ECLI:NL:RBAMS:2025:8533

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
11 november 2025
Zaaknummer
25/3943
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 77 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens schending hoorplicht bij terugvordering WIA-uitkering

Eiser ontving tweemaal een WIA-uitkering over december 2022 door een administratieve fout van verweerder. Verweerder vorderde het te veel betaalde bedrag van €1.343,28 terug en verklaarde het bezwaar van eiser ongegrond. De rechtbank oordeelt dat verweerder onzorgvuldig handelde door geen redelijke termijn te hanteren voor het verzoek tot een hoorzitting, mede doordat verweerder op de hoogte was van het overlijden van de voormalig gemachtigde van eiser en geen extra zorgvuldigheid betrachtte.

Hoewel de hoorplicht is geschonden, vindt de rechtbank dat het bezwaar niet hoeft te worden teruggestuurd omdat eiser zijn standpunt in de beroepsfase voldoende heeft kunnen toelichten. De rechtbank beoordeelt vervolgens de rechtmatigheid van de terugvordering en concludeert dat verweerder terecht het bedrag terugvordert, omdat geen dringende redenen zijn om hiervan af te zien.

Eiser heeft wel recht op vergoeding van het griffierecht en proceskosten, omdat het beroep gegrond is verklaard. De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van €1.814,- aan proceskosten en het griffierecht van €53,- aan eiser. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit blijven in stand.

Uitkomst: Beroep gegrond verklaard wegens schending hoorplicht, terugvordering van €1.343,28 blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/3954

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] (België), eiser

(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder
(gemachtigde: mr. M.B.A. van Grinsven).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van de eiser tegen de terugvordering van zijn WIA-uitkering over de periode van 1 december 2022 tot en met 31 december 2022, vanwege een dubbele uitbetaling van de WIA-uitkering over deze maand.
Met het primaire besluit van 12 november 2024 heeft verweerder een bedrag van € 1.343,28 aan te veel betaalde WIA-uitkering over de maand december 2022 teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 2 mei 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2025. Eiser was – door middel van een videoverbinding – aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Totstandkoming van de besluiten

1.1
Eiser is laatstelijk werkzaam geweest als asbestverwijderaar voor 40 uur per week.
Op 3 december 2020 heeft eiser zich ziek gemeld voor dit werk, wegens belemmerende
rugklachten. Eiser heeft voor de maximale duur van 104 weken (de zogenoemde wachttijd)
een Ziektewetuitkering ontvangen en hierna een WIA-uitkering aangevraagd. Aanvankelijk heeft verweerder een voorschot op deze uitkering toegekend, maar met het besluit van 14 december 2022 is de aanvraag definitief afgewezen. Eiser was het hiermee niet eens en heeft daarop bezwaar en beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep van eiser met de uitspraak van 12 november 2024 gegrond verklaard, waarna aan eiser alsnog een WIA-uitkering is toegekend. Dit heeft geleid tot een nabetaling van € 25.719,48, maar ook dat eiser voor de maand december 2022 tweemaal een WIA-uitkering heeft ontvangen.
1.2.
Met het primaire besluit heeft verweerder een bedrag van € 1.343,28 aan te veel betaalde WIA-uitkering over de maand december 2022 teruggevorderd. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Volgens verweerder blijkt uit de administratie overduidelijk dat verweerder eisers WIA-uitkering over de maand
december 2022 dubbel aan hem heeft betaald. Er zijn verder geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze zaak of verweerder op goede gronden een bedrag van € 1.343,28 aan te veel betaalde WIA-uitkering over de maand december 2022 heeft teruggevorderd.
Schending van de hoorplicht
3.1.
Verweerder heeft in de bezwaarfase van een hoorzitting afgezien. De reden hiervoor is dat verweerder ervan uit is gegaan dat eiser geen gebruik heeft willen maken van een hoorzitting. Verweerder heeft op 15 april 2025 de voormalig advocaat van eiser een brief gestuurd. In die brief werd verzocht om binnen 8 dagen aan te geven of eiser gebruik wenst te maken van een hoorzitting. Op 22 april 2025 is verweerder gebeld door de opvolger van de voormalig advocaat van eiser. Aan verweerder is meegedeeld dat de voormalig advocaat van eiser is overleden en aangegeven dat de zaak twee dagen later zou worden overdragen aan een andere advocaat. Nadat wederom acht dagen waren verstreken en verweerder niks had vernomen van de advocaat die de zaak inhoudelijk zou gaan behandelen, heeft verweerder het bestreden besluit genomen.
3.2.
Verweerder hoeft een belanghebbende niet uit te nodigen voor een hoorzitting, als hij of zij niet binnen een door verweerder gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. [1] De rechtbank oordeelt dat verweerder in dit geval echter ten onrechte van een hoorzitting heeft afgezien, omdat de gegeven termijn onder deze bijzondere omstandigheden niet geldt als een redelijke termijn. De gemachtigde van eiser heeft uitgebreid toegelicht dat zij het dossier in een hectische periode heeft ontvangen waarbij meerdere dossiers op zeer korte termijn moesten worden overgedragen. De voormalig gemachtigde van eiser was al geruime tijd ziek en de dossiers waren hierdoor niet allemaal volledig. Tijdens de bestudering van dit dossier ontving de gemachtigde van eiser het bestreden besluit zonder dat zij op de hoogte was van de termijn om een hoorzitting te verzoeken. Aangezien verweerder wel bekend was met de situatie dat eisers voormalig gemachtigde was overleden, lag het naar het oordeel van de rechtbank onder deze bijzondere omstandigheden op de weg van verweerder om extra zorgvuldigheid te trachten. Zo had verweerder bijvoorbeeld opnieuw contact op kunnen nemen met het kantoor van de voormalig gemachtigde van eiser om contactgegevens te krijgen van de nieuwe gemachtigde van eiser. Verweerder heeft dit nagelaten en ten onrechte de conclusie getrokken dat eiser geen behoefte had aan een hoorzitting. De in dit geval gegeven termijn van acht dagen is daarnaast onder deze omstandigheden geen redelijke termijn en de conclusie dat eiser geen hoorzitting wenste is dan ook te voortvarend genomen. Het beroep is reeds hierom gegrond.
3.3.
Het voorgaande betekent dat de beslissing op bezwaar in strijd met artikel 7:2 van Pro de Awb tot stand is gekomen. Dit is een gebrek aan de kant van verweerder. Zo’n gebrek kan betekenen dat het bezwaar van eiser moet worden teruggestuurd, maar dat hoeft niet zo te zijn. Eiser heeft op de zitting aangegeven dat de rechtbank bij een schending van de hoorplicht inhoudelijk kan oordelen of de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven. De rechtbank vindt in dit geval ook dat het bezwaar niet hoeft te worden teruggestuurd, omdat eiser zijn standpunt in de beroepsfase nogmaals heeft kunnen toelichten. Hij heeft zijn standpunt in zijn beroepsschrift uiteengezet en hij had de mogelijkheid om zijn standpunt op een zitting toe te lichten. De rechtbank zal dan ook in het vervolg van de uitspraak de rechtmatigheid van de beslissing op bezwaar beoordelen.
Dringende redenen om van terugvordering af te zien
4.1.
Eiser voert aan dat verweerder had moeten afzien van de terugvordering, dan wel deze had dienen te matigen. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij twee jaar heeft moeten procederen om alsnog een WIA-uitkering te krijgen. De onzekerheid over zijn inkomsten heeft geleid tot veel spanning en stress bij eiser. Verweerder heeft eiser over een periode van twee jaar nabetaald. Eiser wist niet dat hij voor een maand ten onrechte een dubbele betaling heeft gehad. Hij vindt het onredelijk dat verweerder meerdere fouten mag maken waarvan hij de gevolgen treft.
4.2.
Het is niet in geschil dat eiser over de maand december 2022 twee keer een WIA-uitkering uitbetaald heeft gekregen. Gelet op artikel 77 van Pro de Wet WIA heeft verweerder de verplichting om te veel betaalde uitkering terug te vorderen tenzij dringende redenen aanwezig zijn. Deze kunnen verweerder reden geven om van gehele of gedeeltelijke terugvordering af te zien.
4.3.
De Centrale Raad van Beroep heeft in de uitspraak van 18 april 2024 [2] zijn uitleg van de dringende reden verruimd, in die zin dat (ook) betekenis toekomt aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Niet alleen moet rekening worden gehouden met de gevolgen van de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij moeten alle relevante feiten en omstandigheden worden betrokken, waaronder de vraag wat het eigen aandeel van verweerder is in de redenen voor herziening en/of terugvordering. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan eigen fouten van het bestuursorgaan of trage besluitvorming. Van belang is ook het eigen aandeel van de betrokkene in de ontstane situatie: is sprake van een bewuste schending van de inlichtingenverplichting, een onoplettendheid, of een situatie waarin een betrokkene geen verwijt gemaakt kan worden, maar hij wel heeft moeten begrijpen dat hij te veel aan uitkering ontving. Bij het nemen van een besluit over herziening of terugvordering is het bestuursorgaan verplicht om een belangenafweging te maken waarvan de uitkomst niet onevenredig mag zijn.
4.4.
Ter zitting is uitgebreid aan de orde gekomen dat eiser veel stress heeft gehad door de afwijzing van zijn WIA-uitkering. Eiser heeft na een lange juridische procedure zijn gelijk gekregen en dacht dat daarmee zijn problemen met verweerder voorbij waren. Desondanks wordt hij nu geconfronteerd met een terugvordering, waarvan hij niet wist dat dit onjuist aan hem was nabetaald was. De rechtbank kan zich voorstellen dat eiser gefrustreerd is doordat het lang heeft geduurd voordat zijn medische situatie is erkend en hij in de tussentijd in een financieel moeilijke situatie heeft gezeten. Inmiddels gaat verweerder ervanuit dat eiser duurzaam arbeidsongeschikt is en heeft hij een nabetaling ontvangen. Verweerder betwist verder niet dat hij een fout heeft gemaakt bij de nabetaling. Dat eiser, zoals hij stelt, geen aandeel heeft gehad bij de terugvordering, is echter niet genoeg om alleen daarom al te kunnen spreken van dringende redenen. Daarvoor moet de oorzaak van de terugvordering ook tot een onevenredige uitkomst leiden. Anders dan eiser heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder verder de fout niet onredelijk laat heeft proberen te herstellen. Eiser heeft in september 2024 een nabetaling ontvangen en verweerder heeft hem twee maanden later in november 2024 laten weten dat deze nabetaling gedeeltelijk onjuist was. Verweerder heeft een fout gemaakt, maar dit is tijdig aan eiser gecommuniceerd.
4.5.
De financiële gevolgen zijn voor eiser nadelig. Hij moet een bedrag terugbetalen waarmee hij na de nabetaling geen rekening heeft gehouden. De rechtbank vindt echter in dit geval de uitkomst niet dusdanig onevenredig dat dit bedrag vanwege dringende redenen geheel of gedeeltelijk moet worden gematigd. De rechtbank overweegt daartoe dat de terugvordering slechts een klein gedeelte van de totale nabetaling betreft. Verweerder heeft aangegeven dat hij bij de eventuele invordering rekening houdt met de aflossingscapaciteit van eiser. Zodoende kan eiser, indien hij het bedrag niet in een keer kan voldoen, gebruik maken van een betalingstermijn. Verder heeft eiser ook niet gesteld dat hij door de terugvordering in een dermate schrijnende financiële situatie zal belanden. De slotsom is dat verweerder terecht het te veel betaalde bedrag van € 1.343,28 heeft teruggevorderd.

Conclusie en gevolgen

5.1.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt de beslissing op bezwaar vanwege schending van de hoorplicht. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand, omdat de conclusie van verweerder inhoudelijk wel juist is. Dit betekent verweerder terecht het te veel betaalde bedrag heeft teruggevorderd.
5.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser krijgt om deze reden ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.J.A. van Eck, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2024:726.