In deze uitspraak van de Rechtbank Amsterdam op 13 november 2025, wordt het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 17 december 2024 beoordeeld. De heffingsambtenaar had de WOZ-waarde van de woning van eiser vastgesteld op € 1.511.000 per 1 januari 2023, wat leidde tot een aanslag in de onroerendezaakbelastingen en rioolheffing voor het jaar 2024. Eiser, eigenaar van een herenhuis etagewoning, betwistte deze waarde en stelde een lagere waarde van € 1.236.000 voor, onderbouwd met een deskundigenrapport. De rechtbank behandelde de zaak op 28 oktober 2025, waarbij de gemachtigde van eiser en de heffingsambtenaar, vertegenwoordigd door mr. H. Oderkerk, aanwezig waren.
De rechtbank constateerde dat de hoorplicht was geschonden, maar besloot dit gebrek te passeren op basis van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank beoordeelde de vergelijkingsobjecten die de heffingsambtenaar had gebruikt en concludeerde dat deze voldoende vergelijkbaar waren met de woning van eiser. Eiser voerde aan dat de heffingsambtenaar de kwaliteit van een van de vergelijkingsobjecten ten onrechte als gemiddeld had aangemerkt, maar de rechtbank oordeelde dat dit onvoldoende was om de vastgestelde waarde te betwisten.
Uiteindelijk oordeelde de rechtbank dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. De heffingsambtenaar werd wel veroordeeld in de proceskosten van eiser, die op € 181,40 werden vastgesteld. De rechtbank bepaalde ook dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53,- aan eiser moest vergoeden. De uitspraak werd openbaar gemaakt en partijen werden geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.