ECLI:NL:RBAMS:2025:8552

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
11 november 2025
Zaaknummer
25/4089
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak inzake afwijzing aanvraag traplift op grond van de Wmo 2015

In deze tussenuitspraak van de Rechtbank Amsterdam, gedateerd 11 november 2025, wordt het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een traplift op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015 behandeld. Eiseres, die lijdt aan rugklachten en aandoeningen aan knie- en heupgewrichten, heeft een aanvraag ingediend voor een buitentraplift, die door het college van burgemeester en wethouders van Diemen is afgewezen. De rechtbank had eerder, op 26 maart 2025, het beroep van eiseres gegrond verklaard en verweerder opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. In het bestreden besluit van 28 mei 2025 handhaafde verweerder de afwijzing, maar de rechtbank oordeelt dat dit besluit gebrekkig is en onvoldoende zorgvuldig is genomen.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in zijn nieuwe besluit de grondslag heeft gewijzigd, door te stellen dat er geen compensatiewaardige beperkingen zijn, terwijl eerder was aangenomen dat deze wel bestonden. Dit is in strijd met de goede procesorde, aangezien verweerder geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de eerdere uitspraak, waardoor deze kracht van gewijsde heeft. De rechtbank geeft verweerder de gelegenheid om het gebrek in het besluit te herstellen door de medisch adviseur nader te bevragen over de ondersteuningsbehoefte van eiseres. De rechtbank houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak op het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/4089 T
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. N. Abalhaj),
en

het college van burgemeester en wethouders van Diemen, verweerder

( [gemachtigde verweerder] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een traplift op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 7 februari 2024, gehandhaafd na bezwaar met het besluit van 13 september 2024, afgewezen. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Met de uitspraak van deze rechtbank van 26 maart 2025 [1] heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 13 september 2024 vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Met het bestreden besluit van 28 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit op
4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden tot een afwijzing van de aanvraag om een traplift is gekomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. De rechtbank stelt eiseres wederom in het gelijk
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Waar gaat deze zaak over?

3.1.
Eiseres is onder meer bekend met rugklachten en aandoeningen aan knie- en heupgewrichten. Hierdoor ervaart eiseres beperkingen met lopen en traplopen. In het bijzonder heeft eiseres moeite met de vier buitentrappen die zij moet bestijgen om bij haar woning, een maisonnette met twee verdiepingen, te komen. Eiseres heeft daarom een aanvraag gedaan bij verweerder voor een buitentraplift.
3.2.
Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen met het primaire besluit van 7 februari 2024, gehandhaafd met een besluit van 13 september 2024. Verweerder legt daaraan ten grondslag dat de beperkingen die eiseres ervaart in het traplopen alleen langdurig kunnen worden opgelost als er zowel een buitentraplift als een traplift in de woning van eiseres wordt geïnstalleerd. De kosten hiervoor zijn hoger dan € 9.700,- zodat het zogenoemde verhuisprimaat geldt: het is goedkoper als eiseres verhuist naar een voor haar geschikte woning. Omdat verweerder op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Diemen 2024 (de Verordening) alleen de goedkoopst adequate oplossing vergoedt, komt eiseres daarom niet in aanmerking voor de gevraagde woningaanpassing. [2]
De eerdere uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft in de uitspraak van 26 maart 2025 eiseres in het gelijk gesteld en verweerder opgedragen een integraal nader onderzoek te doen. In dat kader is door de rechtbank vastgesteld dat niet in geschil is tussen partijen dat eiseres beperkingen heeft met traplopen (rechtsoverweging 7.3.). Verder is overwogen in 8.1. dat verweerder onderzoek moet doen naar de omvang van de ondersteuningsbehoefte van eiseres, bijvoorbeeld het aantal trappen dat zij op een dag kan lopen. Dat zou er namelijk toe kunnen leiden dat eiseres wel een traplift voor de buitentrappen nodig heeft, maar niet voor de binnentrap. Verweerder dient een medisch advies van een arts te vragen over de omvang van de ondersteuningsbehoefte van eiseres. Als dat is vastgesteld, dient verweerder onderzoek te doen naar de kosten. Als deze de grens van € 9.700,- overschrijden, dient verweerder te onderzoeken of er alternatieve woningen zijn die daadwerkelijk beschikbaar zijn en of deze (eenvoudig) geschikt te maken zijn voor eiseres.
Standpunten van partijen
5. Uit het na de uitspraak genomen bestreden besluit blijkt dat verweerder een medisch advies heeft opgevraagd bij MedTadvies en dat verweerder – onder verwijzing naar dit advies van 22 mei 2025 – zich op het standpunt stelt dat eiseres in staat is de trappen naar en in de woning op eigen kracht te belopen. Daaruit volgt dat er geen sprake is van beperkingen die voor compensatie in aanmerking komen op grond van de Wmo, zoals bedoeld in artikel 2.3.5., derde lid van de Wmo en artikel 7, eerste lid, van de Verordening. Eiseres kan normaal gebruik maken van haar woning. Zij is niet beperkt in de zelfredzaamheid ten aanzien van het gebruik van haar woning. Dat maakt dat er ook geen noodzaak bestaat voor de door haar gevraagde traplift. Verweerder volgt het advies van MedTadvies van 22 mei 2025 en legt dit advies ten grondslag aan het bestreden besluit. De gegevens die bij ons bekend zijn, niet zijnde het advies van MedTadvies, geven ook geen aanleiding om een traplift toe te kennen, aldus verweerder.
6. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat het advies van MedTadvies niet zorgvuldig is en onvoldoende is gemotiveerd. Eiseres handhaaft haar eerdere gronden waarbij is aangevoerd dat zij op medische gronden beperkt is in traplopen en dat deze beperking zich met name manifesteert in het gebruik van de buitentrap en niet de binnentrap. Uit het bestreden besluit en het daaraan ten grondslag gelegde medisch advies is echter niet op te maken welke informatie van de behandelaars is betrokken en welke vraagstelling hieraan vooraf is gegaan.. Eiseres is dan ook niet in staat om de gestelde medische informatie op juistheid te beoordelen en heeft geen inzage hierin gehad. Eiseres heeft in beroep een verklaring van haar huisarts van 29 september 2025 overgelegd waaruit blijkt dat de huisarts verklaart: “moeilijk een uitspraak te doen over haar mobiliteit in het trappenhuis maar kan me wel voorstellen dat het wel lastig zou kunnen zijn voor haar.”
Oordeel van de rechtbank
7. Uit de zittingsaantekeningen van de zitting bij de rechtbank op 17 maart 2025 blijkt dat de gemachtigde van verweerder heeft verklaard dat uit de medische informatie naar voren komt dat de beperkingen van eiseres chronisch en progressief zijn, dat eiseres in 2018 al niet goed liep en dat het alleen maar slechter wordt. In de uitspraak van de rechtbank van 26 maart 2025 is in overweging 7.3 door de rechtbank vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres beperkingen heeft met traplopen. Verweerder heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak.
8. In het nu ter toetsing voorliggende besluit heeft verweerder het standpunt ingenomen dat er geen recht is op een traplift omdat geen sprake is van compensatiewaardige beperkingen. De grondslag van het besluit is daarmee een andere dan in het vorige bestreden besluit. Daar was immers de grondslag dat er weliswaar sprake was van op grond van de Wmo compensatiewaardige beperkingen, maar dat de kosten van de benodigde trapliften te hoog zijn en dat daarom het verhuisprimaat geldt.
9. Het staat een bestuursorgaan vrij om in het kader van de volledige heroverweging in bezwaar de grondslag van een besluit te wijzigen. Dat is ook het geval indien, zoals in deze zaak, het bestuursorgaan na vernietiging van de beslissing op bezwaar door de rechtbank een nieuw besluit moet nemen. Het bestuursorgaan handelt echter in strijd met de goede procesorde als het de grondslag van het besluit vervangt door een grondslag die het bestuursorgaan in een eerdere fase van de procedure bewust en ondubbelzinnig heeft prijsgegeven. [3]
10. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank de grondslag dat geen sprake is van beperkingen die gecompenseerd moeten worden op grond van de Wmo bewust en ondubbelzinnig prijsgegeven nu verweerder eerder meende dat er wel compensatiewaardige beperkingen zijn, de rechtbank daar in de uitspraak van 26 maart 2025 ook met beide partijen vanuit is gegaan en verweerder geen hoger beroep heeft ingesteld tegen deze uitspraak van de rechtbank, zodat deze kracht van gewijsde heeft.
11. Verweerder heeft de grondslag dat geen sprake is van beperkingen die gecompenseerd moeten worden op grond van de Wmo gebaseerd op het advies van MedTadvies van 22 mei 2025. De gemachtigde van verweerder heeft op de zitting bij de rechtbank toegelicht dat de gemeente zo werkt dat de Wmo consulenten de ondersteuningsbehoefte in kaart brengen op basis van verklaringen van de aanvrager en de voorhanden zijnde medische informatie. Nu is voor het eerst in deze zaak een medisch advies opgevraagd ter uitvoering van de opdracht van de rechtbank zoals gegeven in de uitspraak van 26 maart 2025, aldus verweerder.
12. In het advies staat onder andere:
“Zij komt sinds enkele maanden wel wekelijks bij de fysiotherapie. Deze geeft desgevraagd aan dat er verbetering is gekomen in haar functioneren sinds zij in maart jl. gestart is met behandeling. Zij heeft nog wel beperkingen bij het traplopen. Dit komt deels door overgewicht. De fysiotherapie geeft aan dat zij door de pijnklachten bij het traplopen momenteel nog beperkingen heeft in de zelfredzaamheid. Bij uitvragen blijkt zij echter nog wel regelmatig de trap op en af te gaan. Het is de verwachting dat met voortzetten van de fysiotherapie de beperkingen verder zullen verminderen. Betrokkene heeft in het verleden een operatie gehad aan haar knie, zij geeft aan dat zij nog steeds pijnklachten in de
knie heeft. Hierdoor trekt zij haar linkerbeen bij, bij het traplopen, waardoor het traplopen niet snel gaat. Tijdens het onderzoek heeft zij trap gelopen, hierbij zijn geen grote beperkingen geconstateerd. Betrokkene geeft wel pijnklachten aan.”
13. Het advies zegt dat fysiotherapie verbetering laat zien, maar dat er wel beperkingen zijn bij het traplopen en daardoor dat er momenteel beperkingen zijn in de zelfredzaamheid. De rechtbank begrijpt dit aldus dat het hier gaat om een bevinding van de fysiotherapeut die de medisch adviseur noemt.
Vervolgens zegt het advies dat de medisch adviseur zelf onderzoek heeft gedaan naar het traplopen door eiseres en dat de medisch adviseur op basis van dat eigen onderzoek meent dat er geen grote beperkingen zijn, maar wel pijnklachten.
Het is voor de rechtbank niet inzichtelijk hoe dit zich tot elkaar verhoudt. Enerzijds wel beperkingen in het traplopen en daardoor ook in de zelfredzaamheid, en ook pijnklachten, anderzijds geen grote beperkingen. De vraag blijft wat nu precies de omvang van de beperkingen is en daarmee is vraag 1 in de vraagstelling van verweerder aan de medisch adviseur niet, althans niet inzichtelijk, beantwoord.
14. Ook is het advies niet inzichtelijk waar het gaat om de gestelde verwachte verbetering met fysiotherapie. Niet duidelijk is wiens verwachting het hier betreft, van de fysiotherapeut of van de medisch adviseur en waarop is die verwachting precies gestoeld, mede in het licht van de bevinding in de stukken in het dossier dat eiseres niet meer dan 100 meter kan lopen en dat de aandoening aan het bewegingsapparaat chronisch en progressief van aard is. Voor de rechtbank lijkt dit met elkaar in tegenspraak te zijn en ook op dit punt is het advies dus niet inzichtelijk.
14. Het advies is niet inzichtelijk en niet concludent en dus had verweerder zich niet op het advies mogen baseren zonder nadere vraagstelling aan de medisch adviseur over hetgeen hierboven is opgenomen.
16. Verweerder kon gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet zonder meer zijn nieuwe besluit op dat advies baseren. Dat is in strijd met de uit artikel 3:2 van de Awb volgende vergewisplicht.

Conclusie en gevolgen

17. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is genomen en dus gebrekkig is. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit via een bestuurlijke lus te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet – gelet op wat zij onder 12 tot en met 16 heeft overwogen – aanleiding verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Verweerder moet de medisch adviseur nader bevragen over de punten genoemd hierboven in overweging 13 en 14.
18. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb uiterlijk binnen twee weken schriftelijk meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, geeft de rechtbank een termijn van zes weken vanaf de datum van verzending van deze tussenuitspraak om dit te doen. De rechtbank zal eiseres daarna in de gelegenheid stellen binnen twee weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
19. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2653, onder 7.1.
20. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.J.R. van Broekhoven, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Te vinden via rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:RBAMS:2025:1909
2.Artikel 7, zesde lid, van de Verordening. En zie ook artikel 2.3.1 gelezen in samenhang met 1.3.1 van de Nadere regels Maatschappelijke Ondersteuning Diemen 2024 (Nadere Regels).
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 juni 2025, te vinden via rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:CRVB:2025:925