ECLI:NL:RBAMS:2025:8555

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 september 2025
Publicatiedatum
11 november 2025
Zaaknummer
13/200118-23 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 2 onder A Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontnemingsvordering wegens medeplegen exporteren cocaïne en gewoontewitwassen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 12 september 2025 een ontnemingsvordering tegen de veroordeelde, die in een onderliggende strafzaak werd veroordeeld voor medeplegen van het exporteren van een grote hoeveelheid cocaïne en gewoontewitwassen. De officier van justitie vorderde conform procesafspraken dat het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting worden vastgesteld op €400.000,-.

Tijdens de terechtzitting van 29 augustus 2025 werden procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging besproken, waarbij veroordeelde afstand deed van bepaalde verdedigingsrechten en instemde met de betalingsverplichting. De rechtbank achtte deze afstand vrijwillig en weloverwogen, en bevestigde dat zij zelfstandig toetst of aan de wettelijke voorwaarden van artikel 36e Sr is voldaan.

De rechtbank concludeerde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel inderdaad €400.000,- bedraagt en legde aan veroordeelde een betalingsverplichting van dat bedrag op. Tevens werd een maximale gijzelingstermijn van drie jaar bepaald, conform de gemaakte procesafspraken. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de ontnemingsmaatregel in de strafzaak.

Uitkomst: Veroordeelde moet €400.000,- betalen en kan maximaal drie jaar worden gegijzeld.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/200118-23 (ontneming)
Datum uitspraak: 12 september 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, op de vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/200118-23, tegen:
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats ] op [geboortedag] 1979,
wonende op het adres [adres] .
hierna: veroordeelde.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 29 augustus 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de ontnemingsvordering van de officier van justitie mr. B.Y. de Boer en wat veroordeelde en zijn raadsman mr. A.J. Admiraal naar voren hebben gebracht.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gesloten overeenkomst over de door hen gemaakte procesafspraken, welke op 22 augustus 2025 door partijen is ondertekend. Deze procesafspraken zijn als
bijlage Iaan dit vonnis gehecht.

2.De vordering

De vordering van de officier van justitie van 31 juli 2025 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van daarvan tot een bedrag van € 430.350,-.
Ter terechtzitting heeft de officier – conform de procesafspraken – gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting moet worden vastgesteld op € 400.000,-.

3.Procesafspraken

Deze procesafspraken houden in dat
veroordeelde in het kader van deze overeenkomst:
  • geen (nieuwe) onderzoekswensen indient;
  • geen bewijsverweren voert en al ingediende onderzoekswensen intrekt;
  • geen (nadere) verklaring hoeft af te leggen;
  • geen verweer voert tegen de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de gevorderde betalingsverplichting;
en dat het Openbaar Ministerie in het kader van deze overeenkomst
- ter terechtzitting zal rekwireren tot vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en oplegging van de betalingsverplichting op een bedrag van € 400.000,- met bepaling van de maximale duur van de gijzeling (drie jaren).
Tevens is afgesproken dat beide partijen afzien van hoger beroep indien de ontnemingsmaatregel door de rechtbank conform de afspraken plaatsvindt. Ook zijn er afspraken gemaakt over de executie.

4.Grondslag van de vordering

Veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 september 2025 in de onderliggende strafzaak, rekening houdend met de in die strafzaak gemaakte procesafspraken, ter zake van de volgende strafbare feiten veroordeeld:
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod;
medeplegen van gewoontewitwassen.

5.Wederrechtelijk verkregen voordeel

5.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting, conform de procesafspraken, gevorderd dat het ontnemingsbedrag wordt vastgesteld op € 400.000,- en dat aan verdachte voor dat bedrag een betalingsverplichting wordt opgelegd.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om de procesafspraken te volgen.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij haar oordeel gekeken naar de gemaakte procesafspraken. Tijdens de inhoudelijke behandeling op 29 augustus 2025 heeft de rechtbank de procesafspraken met veroordeelde besproken, terwijl hij werd bijgestaan door zijn raadsman. Daar heeft veroordeelde verklaard dat hij door zijn raadsman is voorgelicht over de procesafspraken en dat hij de consequenties daarvan begrijpt.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde vrijwillig, op basis van voor hem voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten, ook waar het gaat om de door veroordeelde te aanvaarden betalingsverplichting samenhangend met het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Ondanks de gemaakte procesafspraken behoudt de rechtbank haar eigen verantwoordelijkheid om te beoordelen of de vaststelling van het wederrechtelijk voordeel en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichting plaatsvindt in overeenstemming met de daarvoor geldende wettelijke regeling. Dit betekent dat zij in deze zaak zelfstandig moet beoordelen of aan de voorwaarden van artikel 36e Sr is voldaan. Op grond van dit artikel kan aan degene die is veroordeeld wegens een of meer strafbare feiten een ontnemingsmaatregel worden opgelegd indien hij door middel van die strafbare feiten voordeel heeft verkregen.
De rechtbank gaat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van het proces-verbaal van bevindingen dat ziet op de berekening hiervan [1] . Op grond van dit proces-verbaal is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde door middel van voornoemde strafbare feiten voordeel heeft verkregen dat de rechtbank schat op € 400.000,-, welk bedrag overeenkomt met het bedrag genoemd in de procesafspraken.

6.De betalingsverplichting

Er zijn geen gronden om de betalingsverplichting op een lager bedrag vast te stellen dan het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 400.00,-.

7.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

8.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Stelt vast als
wederrechtelijk verkregen voordeeleen bedrag van
€ 400.000,- (vierhonderdduizend euro).
Legt op aan [veroordeelde] de
verplichting tot betalingvan
€ 400.000,- (vierhonderdduizend euro).
Bepaalt de duur van
gijzelingdie ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op
3 (drie) jaren.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B. Vogel, voorzitter
mrs. M. Smit en J. Langer, rechters
in tegenwoordigheid van mr. J.J.M. Smolders, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 september 2025.
[--]

Voetnoten

1.Een proces-verbaal van bevindingen van 7 december 2023 met nummer 18632386, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar B-050341, p. ZD 532-549.