In deze bodemzaak, behandeld door de Rechtbank Amsterdam, heeft de coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK U.A. (hierna: Rabobank) een vordering ingesteld tegen een gedaagde partij die niet is verschenen. De vordering betreft een bedrag van € 2.846,19 aan hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten, voortvloeiend uit een overeenkomst voor een betaalrekening met een betaalpas en een creditcard. Rabobank stelt dat de gedaagde partij op 1 juli 2019 een overeenkomst heeft gesloten, waarbij de creditcard is gekoppeld aan de betaalrekening. De gedaagde heeft echter niet alle op de overeenkomst van toepassing verklaarde sets algemene voorwaarden overgelegd, wat noodzakelijk is voor de beoordeling van de vordering.
De kantonrechter heeft vastgesteld dat Rabobank alle relevante algemene voorwaarden moet overleggen om te kunnen toetsen of er sprake is van een ongeoorloofde roodstand en welke rente en kosten eventueel verschuldigd zijn. De rechter wijst op de noodzaak van ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden, ook als Rabobank zich niet beroept op bepaalde bedingen. Dit is in lijn met recente arresten van het Europese Hof van Justitie, die vereisen dat de rechter onderzoekt of bedingen in de voorwaarden oneerlijk zijn. De zaak is verwezen naar de rol voor akte uitlating en overlegging van stukken door Rabobank, waarbij de rechter ook vraagt naar het exacte moment van opeising en de rente na opeising.
De beslissing van de kantonrechter houdt in dat de zaak op dinsdag 2 december 2025 opnieuw op de rol komt voor verdere behandeling, waarbij Rabobank de gelegenheid krijgt om de gevraagde informatie te verstrekken.