ECLI:NL:RBAMS:2025:8570

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
11692010 \ CV EXPL 25-6972
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 93/13 EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens niet-naleving informatieplichten en onduidelijke prijs in onderwijsovereenkomst

VBOT B.V. vordert betaling van €980,52 van gedaagde uit hoofde van een onderwijsovereenkomst. De kantonrechter toetst ambtshalve aan het consumentenrecht en de Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen.

Eiser heeft niet gesteld dat is voldaan aan de informatieplichten, waardoor de stelplicht niet is nagekomen en de vordering reeds om die reden niet kan worden toegewezen. Daarnaast bevat de onderwijsovereenkomst geen prijs, terwijl dit essentieel is voor de prestatie. De prijzen op het inschrijfformulier komen niet overeen met de factuur, die bovendien dateert van vóór de overeenkomst.

Verder is onduidelijk hoe de betalingsvoorwaarden van een later ingeschakelde incassogemachtigde van toepassing zijn verklaard aan gedaagde. Zonder nadere toelichting wordt de vordering daarom afgewezen. Eisende partij wordt veroordeeld in de proceskosten, die nihil worden begroot aan de zijde van gedaagde.

Uitkomst: De vordering van VBOT B.V. wordt afgewezen wegens niet-naleving van informatieplichten en onduidelijke prijsstelling.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11692010 \ CV EXPL 25-6972
Vonnis van 6 november 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VBOT B.V.,
gevestigd te Zoetermeer,
eisende partij,
gemachtigde: Medicas B.V.,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 april 2025, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Eisende partij vordert uit hoofde van een met gedaagde partij gesloten onderwijsovereenkomst veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 980,52 aan hoofdsom, vermeerderd met rente, incassokosten en proceskosten.
2.2.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan de Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
2.3.
Over de naleving van de informatieplichten heeft eisende partij in de dagvaarding niets gesteld. Reeds hierom kan de vordering niet worden toegewezen (verwezen wordt naar ECLI:NL:HR:2021:1677, rechtsoverweging 3.1.17), nu eisende partij op dit punt niet heeft voldaan aan haar stelplicht door de voor de beoordeling van belang zijnde informatie niet volledig te verstrekken.
2.4.
Los daarvan constateert de kantonrechter dat eisende partij bedragen vordert op grond van de tussen partijen gesloten onderwijsovereenkomst, maar dat deze overeenkomst in het geheel geen prijs staat vermeld, terwijl dat de kern van de prestatie is. Weliswaar staan prijzen vermeld op het inschrijfformulier, maar die komen niet overeen met de prijzen in de factuur. De factuur dateert overigens van 31 januari 2024, terwijl de onderwijsovereenkomst tussen partijen pas daarna tot stand is gekomen. Bovendien heeft gedaagde partij op het inschrijfformulier gekozen voor betaling in drie termijnen, maar het volledige studiegeld is ineens gefactureerd. Termijnbetalingsinstructies zijn niet gegeven.
2.5.
Tot slot hanteert eisende partij kennelijk betalingsvoorwaarden van haar nadien ingeschakelde incassogemachtigde. Op welke wijze gedaagde partij daarvan kennis heeft kunnen nemen en/of daarmee akkoord is gegaan, is niet toegelicht.
2.6.
Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, komt de vordering vanwege het voorgaande ongegrond voor. De vordering wordt daarom afgewezen.
2.7.
De kantonrechter merkt ten overvloede op dat al sinds 1 oktober 2019 geen tussenvonnissen meer worden gewezen om ontbrekende informatie benodigd voor het ambtshalve onderzoek van de kantonrechter op te vragen.
2.8.
Eisende partij wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van gedaagde partij worden begroot op nihil.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
wijst de vordering af,
3.2.
veroordeelt eisende partij in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde partij begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op
6 november 2025.
991