Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2025:8571

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
11608035 \ CV EXPL 25-4765
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230h lid 2 BWArt. 6 lid 1 Richtlijn 93/13/EGArt. 4 lid 2 Richtlijn 93/13/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toetsing consumentenrecht en transparantie prijsbeding in medische behandelovereenkomst

De Stichting Noordwest Ziekenhuisgroep vordert betaling van €551,86 voor verleende medische zorg aan gedaagde partij, die niet is verschenen. De medische behandelovereenkomst betreft een consumentenovereenkomst, waardoor ambtshalve toetsing aan het consumentenrecht en de Europese richtlijn inzake oneerlijke bedingen plaatsvindt.

De rechtbank oordeelt dat informatieplichten niet van toepassing zijn vanwege een wettelijke uitzondering voor medische behandelovereenkomsten. Wel moet het prijsbeding worden getoetst op transparantie en eerlijkheid, mede op basis van recente jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. De eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld om nadere toelichting te geven over de transparantie van het prijsbeding en de mogelijkheid tot declaratie bij de zorgverzekeraar.

Daarnaast moeten ook de overige algemene voorwaarden ambtshalve op oneerlijkheid worden onderzocht, waarbij de eisende partij wordt verzocht zich uit te laten over de toepasselijkheid en eerlijkheid van deze bedingen. De zaak wordt aangehouden en verwezen naar de rol voor het indienen van een akte door de eisende partij, die ook aan gedaagde moet worden toegestuurd met mogelijkheid tot reactie.

Uitkomst: De zaak is aangehouden voor nadere uitlatingen over de transparantie en eerlijkheid van het prijsbeding en algemene voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11608035 \ CV EXPL 25-4765
Vonnis van 11 november 2025
in de zaak van
de stichting
STICHTING NOORDWEST ZIEKENHUISGROEP,
gevestigd te Alkmaar,
eisende partij,
gemachtigde: De Ruijter & Willemsen gerechtsdeurwaarders en incasso B.V.,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 maart 2025, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Eisende partij stelt dat zij in opdracht en voor rekening van gedaagde partij medische hulp heeft verleend. Hiervoor is een factuur gestuurd. Eisende partij verzorgt medische zorg in de tweede lijn. Na doorverwijzing van de (huis)arts ontvangt gedaagde partij een afspraakbevestiging per post. Aanmelding bij eisende partij gebeurt via DigiD. Tijdens het aanmeldproces wordt informatie verstrekt over de behandeling, de kosten daarvan, de vergoedingen door zorgverzekeraars en overige voorwaarden. Gedaagde partij beschikt ook over een mijn-omgeving van eisende partij. Zonder aanmelding wordt er geen behandeling uitgevoerd.
2.2.
Eisende partij vordert een hoofdsom van € 551,86, vermeerderd met rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
2.3.
De medische behandelovereenkomst die aan de vordering ten grondslag ligt is gesloten tussen een handelaar en een consument. In dat geval moet ambtshalve worden getoetst aan het consumentenrecht.
2.4.
Toetsing van informatieplichten is niet aan de orde, omdat medische behandelovereenkomsten op grond van artikel 6:230h lid 2 onder d van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn uitgezonderd van de betreffende afdeling uit het BW.
2.5.
De bedingen van de overeenkomst moeten echter wel ambtshalve worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn). Bedingen die zien op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, zoals het beding over de prijs, zijn van toetsing op oneerlijkheid uitgezonderd, voor zover ze duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd (artikel 4 lid 2 van Pro de richtlijn). Beoordeeld moet daarom worden of het prijsbeding voldoende transparant is. In dat kader is het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 januari 2023 van belang (ECLI:EU:C:2023:14).
2.6.
Uit dat arrest volgt dat gedaagde partij voorafgaand aan de behandeling(en) kennis heeft moeten kunnen nemen van de kosten van de behandeling(en). Vóórdat de overeenkomst wordt gesloten, moet de handelaar informatie verstrekken die de consument in staat stelt bij benadering de totale kosten van die diensten te ramen. Als dat niet of onvoldoende is gebeurd, zal het prijsbeding op oneerlijkheid in de zin van de richtlijn moeten worden getoetst. De algemene stellingen van eisende partij dat gedaagde partij via de (mijn-omgeving op de) website van eisende partij of bij de informatiebalie kennis had kunnen nemen van alle relevante informatie, zoals de kosten, volstaan zonder nadere toelichting en onderbouwing, geconcretiseerd naar de specifieke situatie van gedaagde partij, niet. Eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld zich over de transparantie en (on)eerlijkheid van het prijsbeding uit te laten. Eisende partij zal zich daarbij ook moeten uitlaten over de vraag of de facturen niet ingediend hadden kunnen worden bij de zorgverzekeraar van gedaagde partij.
2.7.
Als het prijsbeding oneerlijk is, bindt het de consument niet. Dat volgt uit artikel 6 lid 1 van Pro de richtlijn. Als gevolg daarvan kan de overeenkomst niet blijven voortbestaan. Dat zou betekenen dat gedaagde partij geen vergoeding aan eisende partij is verschuldigd.
2.8.
Verder zijn op de overeenkomst algemene voorwaarden van toepassing verklaard. Deze zijn in het geding gebracht. Eisende partij heeft echter nog niet de bepalingen genoemd waarop zij een beroep doet of had kunnen doen en zich ook nog niet uitgelaten over de (on)eerlijkheid van die bepalingen. Dat zal eisende partij alsnog moeten doen. Op grond van de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) moet de kantonrechter immers, ook als eisende partij zich in de procedure niet beroept op het toepasselijke beding, maar op de wet, ambtshalve onderzoeken of het beding in de voorwaarden waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, kan ingevolge deze arresten geen aanspraak meer worden gemaakt op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest en moet haar vordering op dit punt worden afgewezen.
2.9.
De zaak wordt voor het nemen van een akte door eisende partij verwezen naar de rol.
2.10.
Eisende partij dient de akte tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting ook aan gedaagde partij te sturen, met de mededeling dat gedaagde partij op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer gedaagde partij uiterlijk moet reageren. Eisende partij wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling/brief aan gedaagde partij in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan gedaagde partij is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.
2.11.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van
dinsdag 9 december 2025 om 10.00 uurvoor akte uitlating en overlegging stukken door eisende partij,
3.2.
bepaalt dat eisende partij de akte aan gedaagde partij moet toesturen, overeenkomstig het bepaalde in overweging 2.10,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2025.
991