ECLI:NL:RBAMS:2025:8571

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
11608035 \ CV EXPL 25-4765
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ambtshalve toetsing van consumentenrecht in medische behandelovereenkomst met betrekking tot transparantie en oneerlijkheid van prijsbeding

In deze bodemzaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 11 november 2025 een tussenuitspraak gedaan in een civiele procedure tussen de stichting Stichting Noordwest Ziekenhuisgroep en een gedaagde partij die niet is verschenen. De eisende partij vorderde een hoofdsom van € 551,86, vermeerderd met rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten, op basis van een medische behandelovereenkomst. De rechtbank heeft ambtshalve de consumentenrechtelijke aspecten van de overeenkomst getoetst, met name de transparantie en (on)eerlijkheid van het prijsbeding. De rechtbank oordeelde dat de informatieplichten niet aan de orde zijn, omdat medische behandelovereenkomsten zijn uitgezonderd van bepaalde bepalingen in het Burgerlijk Wetboek. Echter, de bedingen van de overeenkomst moeten wel worden getoetst aan de Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. De rechtbank benadrukte dat de eisende partij moet aantonen dat de consument voorafgaand aan de behandeling voldoende geïnformeerd was over de kosten. De zaak is verwezen naar de rol voor het nemen van een akte door de eisende partij, waarbij deze ook de gedaagde partij moet informeren. De verdere beslissing is aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11608035 \ CV EXPL 25-4765
Vonnis van 11 november 2025
in de zaak van
de stichting
STICHTING NOORDWEST ZIEKENHUISGROEP,
gevestigd te Alkmaar,
eisende partij,
gemachtigde: De Ruijter & Willemsen gerechtsdeurwaarders en incasso B.V.,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 maart 2025, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Eisende partij stelt dat zij in opdracht en voor rekening van gedaagde partij medische hulp heeft verleend. Hiervoor is een factuur gestuurd. Eisende partij verzorgt medische zorg in de tweede lijn. Na doorverwijzing van de (huis)arts ontvangt gedaagde partij een afspraakbevestiging per post. Aanmelding bij eisende partij gebeurt via DigiD. Tijdens het aanmeldproces wordt informatie verstrekt over de behandeling, de kosten daarvan, de vergoedingen door zorgverzekeraars en overige voorwaarden. Gedaagde partij beschikt ook over een mijn-omgeving van eisende partij. Zonder aanmelding wordt er geen behandeling uitgevoerd.
2.2.
Eisende partij vordert een hoofdsom van € 551,86, vermeerderd met rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
2.3.
De medische behandelovereenkomst die aan de vordering ten grondslag ligt is gesloten tussen een handelaar en een consument. In dat geval moet ambtshalve worden getoetst aan het consumentenrecht.
2.4.
Toetsing van informatieplichten is niet aan de orde, omdat medische behandelovereenkomsten op grond van artikel 6:230h lid 2 onder d van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn uitgezonderd van de betreffende afdeling uit het BW.
2.5.
De bedingen van de overeenkomst moeten echter wel ambtshalve worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn). Bedingen die zien op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, zoals het beding over de prijs, zijn van toetsing op oneerlijkheid uitgezonderd, voor zover ze duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd (artikel 4 lid 2 van de richtlijn). Beoordeeld moet daarom worden of het prijsbeding voldoende transparant is. In dat kader is het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 januari 2023 van belang (ECLI:EU:C:2023:14).
2.6.
Uit dat arrest volgt dat gedaagde partij voorafgaand aan de behandeling(en) kennis heeft moeten kunnen nemen van de kosten van de behandeling(en). Vóórdat de overeenkomst wordt gesloten, moet de handelaar informatie verstrekken die de consument in staat stelt bij benadering de totale kosten van die diensten te ramen. Als dat niet of onvoldoende is gebeurd, zal het prijsbeding op oneerlijkheid in de zin van de richtlijn moeten worden getoetst. De algemene stellingen van eisende partij dat gedaagde partij via de (mijn-omgeving op de) website van eisende partij of bij de informatiebalie kennis had kunnen nemen van alle relevante informatie, zoals de kosten, volstaan zonder nadere toelichting en onderbouwing, geconcretiseerd naar de specifieke situatie van gedaagde partij, niet. Eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld zich over de transparantie en (on)eerlijkheid van het prijsbeding uit te laten. Eisende partij zal zich daarbij ook moeten uitlaten over de vraag of de facturen niet ingediend hadden kunnen worden bij de zorgverzekeraar van gedaagde partij.
2.7.
Als het prijsbeding oneerlijk is, bindt het de consument niet. Dat volgt uit artikel 6 lid 1 van de richtlijn. Als gevolg daarvan kan de overeenkomst niet blijven voortbestaan. Dat zou betekenen dat gedaagde partij geen vergoeding aan eisende partij is verschuldigd.
2.8.
Verder zijn op de overeenkomst algemene voorwaarden van toepassing verklaard. Deze zijn in het geding gebracht. Eisende partij heeft echter nog niet de bepalingen genoemd waarop zij een beroep doet of had kunnen doen en zich ook nog niet uitgelaten over de (on)eerlijkheid van die bepalingen. Dat zal eisende partij alsnog moeten doen. Op grond van de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) moet de kantonrechter immers, ook als eisende partij zich in de procedure niet beroept op het toepasselijke beding, maar op de wet, ambtshalve onderzoeken of het beding in de voorwaarden waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, kan ingevolge deze arresten geen aanspraak meer worden gemaakt op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest en moet haar vordering op dit punt worden afgewezen.
2.9.
De zaak wordt voor het nemen van een akte door eisende partij verwezen naar de rol.
2.10.
Eisende partij dient de akte tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting ook aan gedaagde partij te sturen, met de mededeling dat gedaagde partij op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer gedaagde partij uiterlijk moet reageren. Eisende partij wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling/brief aan gedaagde partij in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan gedaagde partij is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.
2.11.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van
dinsdag 9 december 2025 om 10.00 uurvoor akte uitlating en overlegging stukken door eisende partij,
3.2.
bepaalt dat eisende partij de akte aan gedaagde partij moet toesturen, overeenkomstig het bepaalde in overweging 2.10,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2025.
991