ECLI:NL:RBAMS:2025:8573

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
10721973 \ CV EXPL 23-12970
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ambtshalve toetsing van consumentenrecht in een leaseovereenkomst met betrekking tot een huurauto

In deze bodemzaak, behandeld door de Rechtbank Amsterdam, is op 11 november 2025 een vonnis gewezen in de zaak tussen Volkswagen Pon Financial Services B.V. en een gedaagde partij die niet is verschenen. De procedure is gestart met een tussenvonnis op 15 juli 2025, waarna de eisende partij aanvullende informatie heeft verstrekt. De zaak betreft een leaseovereenkomst voor een huurauto, waarbij de gedaagde partij de auto voortijdig heeft ingeleverd. De kantonrechter heeft ambtshalve de consumentenrechtelijke aspecten van de overeenkomst getoetst, met bijzondere aandacht voor de informatieplichten en de eerlijkheid van de bedingen in de overeenkomst. De kantonrechter concludeert dat de eisende partij aan de informatieplichten heeft voldaan en dat de bedingen in de overeenkomst, waaronder de rente en de kosten bij voortijdige beëindiging, niet oneerlijk zijn. De kantonrechter heeft de vordering van de eisende partij grotendeels toegewezen, met uitzondering van de gevorderde wettelijke rente, en heeft de gedaagde partij veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10721973 \ CV EXPL 23-12970
Vonnis van 11 november 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VOLKSWAGEN PON FINANCIAL SERVICES B.V.,
gevestigd te Amersfoort,
eisende partij,
gemachtigde: mr. J.M. Wisseborn,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 15 juli 2025,
- de akte van eisende partij,
- de rolmededeling van 26 augustus 2025,
- de akte van eisende partij.
1.2.
Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft gedaagde partij niet gereageerd op de akte van eisende partij.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij voornoemd tussenvonnis is eisende partij in de gelegenheid gesteld nadere informatie te verstrekken, zodat de kantonrechter de rechtmatigheid en gegrondheid van de vordering kan beoordelen. De kantonrechter wijst eisende partij erop dat de gevraagde informatie in het vervolg onderdeel dient uit te maken van de inleidende dagvaarding.
2.2.
Eisende partij heeft bij akte toegelicht dat de overeenkomst tussen partijen is ondertekend op 22 juni 2020 en is ingegaan op 9 juli 2020. Een ontbindingsbrief is door eisende partij niet gestuurd, omdat de huurauto op 15 juli 2022 op eigen initiatief door gedaagde partij is ingeleverd. Daarmee is sprake van voortijdige beëindiging als bedoeld in artikel 46 van de Keurmerk Voorwaarden. De kleine verschillen in de hoogte van de leaseprijs betreffen correcties in verband met wijzigingen in bijvoorbeeld de wegenbelasting. Eisende partij verwijst naar artikel 14 van de Keurmerk Voorwaarden. Over de geheven btw over de meer gereden kilometers merkt eisende partij op dat volgens de fiscus btw moet worden gerekend over schadevergoedingen waar een bepaalde dienst tegenover staat. De post ‘kosten voortijdige beëindiging’ is overeenkomstig artikel 47 van de Keurmerk Voorwaarden gecalculeerd door te kijken naar het verschil tussen de huur tot de voortijdige beëindigingsdatum en de huur zoals deze zou zijn geweest als de overeenkomst direct voor een kortere duur wordt aangegaan. Deze calculatiewijze bleek gunstiger te zijn voor gedaagde partij dan 40% van de resterende leasetermijnen. Het bedrag van € 140,00 aan eigen risico betreffen twee schadegevallen aan de velgen, waarvoor € 70,00 eigen risico is gerekend. Dat is ook zo omschreven op de factuur (productie 4).
Tot slot heeft eisende partij uitgebreid toegelicht waarom zij vindt dat een hogere rente dan de wettelijke handelsrente voor haar gerechtvaardigd is. Hier komt de kantonrechter op terug.
2.3.
Zoals in overweging 2.2 van het tussenvonnis is overwogen, moet de kantonrechter in deze consumentenzaak ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht.
2.4.
Over de informatieplichten stelt eisende partij in de dagvaarding dat de overeenkomst is gesloten in de verkoopruimte bij de autodealer (Seat Point). Onder die omstandigheden is sprake van een overeenkomst anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte. De wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen valt immers niet onder de definities van overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte als bedoeld in artikel 6:230g lid 1 onder e en f van het Burgerlijk Wetboek (BW), zodat deze valt in de ‘restcategorie’. In dat geval zijn de informatieplichten van artikel 6:230l BW van toepassing. Eisende partij heeft gemotiveerd gesteld op welke wijze zij aan deze verplichtingen heeft voldaan. Alle essentiële informatie als bedoeld in dat artikel is ook opgenomen in de overeenkomst, die gedaagde partij heeft kunnen doornemen alvorens deze te ondertekenen. Aan de informatieplichten heeft eisende partij dan ook voldaan.
2.5.
De leaseovereenkomst moet verder worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn). Het gedeelte van de hoofdsom dat ziet op onbetaald gelaten leasetermijnen en de afrekening van meer gereden kilometers (onderdeel van de eindafrekening) is toewijsbaar, omdat deze zijn gebaseerd op duidelijke en begrijpelijk geformuleerde kernbedingen over de prijs. Dergelijke (transparante) prijsbedingen komen ingevolge artikel 4 lid 2 van de richtlijn niet voor verdere toetsing in aanmerking.
2.6.
Weliswaar is de leaseprijs in de loop van de overeenkomst verhoogd met enkele centen per maand, maar eisende partij heeft daarover toegelicht dat dit correcties zijn van belastingen of andere heffingen die verband houden met het bezitten of gebruiken van het voertuig. Het beding dat aan deze correcties ten grondslag ligt (artikel 14 van de Keurmerk Voorwaarden) is getoetst en niet oneerlijk bevonden, nu de wijzigingen in de belastingen of andersoortige heffingen van overheidswege buiten de invloedsfeer van eisende partij liggen en niet vooraf voorzienbaar waren of konden worden verdisconteerd in de leaseprijs. In ieder geval brengt het beding geen aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen partijen teweeg.
2.7.
De post ‘kosten voortijdige beëindiging’ van € 834,21 is gegrond op (de aanvulling op) artikel 47 van de Keurmerk Voorwaarden. Op grond van dit beding is gedaagde partij een vergoeding verschuldigd ingeval van voortijdige beëindiging van de overeenkomst. In het beding staat dat de vergoeding op twee manieren kan worden berekend. De berekeningswijze die voor de consument het meest gunstig is, wordt gebruikt. Dat staat in het beding. Eisende partij stelt dat dit beding niet oneerlijk is, omdat zij verlies lijdt bij voortijdige beëindiging. Dat betreft boekwaardeverlies van de auto. Auto’s schrijven degressief af. De kosten zien ook op gedeeltelijke compensatie voor gederfde winst. De winstopslag die is verdisconteerd in de leaseprijs wordt niet meer behaald. De kantonrechter constateert dat de opzegvergoeding wordt berekend aan de hand van de leaseprijs inclusief btw, terwijl het een vorm van schadevergoeding is die niet btw-plichtig is. In dit verband wordt verwezen naar het arrest genoemd in overweging 2.7 van het tussenvonnis. Dat neemt niet weg dat, ook al wordt de opzegvergoeding berekend aan de hand van de leaseprijs inclusief btw, het geen onevenredig hoge schadevergoeding oplevert. De opzegvergoeding staat in redelijke verhouding tot de door eisende partij (bij benadering te verwachten) te lijden schade en de wijze van berekenen is in lijn met artikel 6:277 BW. Dat maakt dat het artikel niet als oneerlijk wordt aangemerkt en de gevorderde opzegvergoeding (onderdeel van de eindafrekening) daarom toewijsbaar is.
2.8.
Over de in rekening gebrachte bedragen aan eigen risico heeft eisende partij met de nadere toelichting hierover in de akte voldoende gesteld. De bedragen blijven beneden het maximale bedrag aan eigen risico dat in de overeenkomst staat (€ 125,00).
2.9.
Eisende partij maakt ook aanspraak op wettelijke rente, maar heeft een rentebeding in de algemene voorwaarden staan van 1,5% per maand. Eisende partij betoogt in haar akte dat het rentebeding niet oneerlijk is. Zij stelt dat autohuur een veel complexer product is dan het enkel verstrekken van geld of financiering, waarbij zij niet alleen te maken krijgt met de wanbetaling zelf, maar ook met voortijdig ingeleverde huurvoertuigen, inleverschades, verzekeringskwesties, kilometerafrekeningen, de inname van brandstofpassen, gedwongen inname via politie of recherchebureau, huurauto’s die zoek zijn of in beslag worden genomen, calculatie van kosten in verband met voortijdige beëindiging. Door deze complexiteit is het volgens eisende partij noodzakelijk om een grote afdeling bijzonder beheer in te richten met daarin (tientallen) gespecialiseerde medewerkers, waarmee hoge kosten gemoeid zijn. Daarnaast stelt de eisende partij dat wegens het ontbreken van zekerheden (zoals de vestiging van een pandrecht of het vragen van een forse waarborgsom) het betalingsrisico bovengemiddeld hoog is. Gelet hierop vindt eisende partij dat een hogere rente gerechtvaardigd is.
2.10.
De kantonrechter volgt eisende partij niet in haar betoog. Vertragingsrente is een vorm van schadevergoeding om de nadelen die de schuldeiser ondervindt door de te late betaling door de schuldenaar te compenseren, niet om andere kosten en risico’s aan gedaagde partij door te belasten. Het door eisende partij gestelde vormt dan ook geen rechtvaardiging voor de bedongen rente die niet alleen vele malen hoger is dan de wettelijke rente ten tijde van het sluiten van de overeenkomst, maar ook hoger dan de wettelijke handelsrente. De kantonrechter blijft daarom bij wat in het tussenvonnis is overwogen. Het beding blijft buiten toepassing. Gevolg daarvan is dat eisende partij ook geen recht heeft op de gevorderde wettelijke rente (zie overwegingen 2.10 en 2.11 van het tussenvonnis).
2.11.
Het beding in de Keurmerk Voorwaarden over de mogelijkheid tot het in rekening brengen van incassokosten (artikel 21) is getoetst en niet oneerlijk bevonden, omdat wordt verwezen naar en aangesloten bij de wettelijke regeling.
2.12.
Het voorgaande leidt tot toewijzing van het gevorderde, met uitzondering van de rente.
2.13.
Eisende partij vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Eisende partij heeft aan gedaagde partij een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom zal het gevorderde bedrag van € 543,17 worden toegewezen.
2.14.
De betaling van € 400,00 komt in mindering op de buitengerechtelijke kosten.
2.15.
Gedaagde partij is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisende partij worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
107,84
- griffierecht
487,00
- salaris gemachtigde
271,00
(1 punt × € 271,00)
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
933,34

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 4.171,71 aan hoofdsom,
3.2.
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 143,17 aan buitengerechtelijke kosten,
3.3.
veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 933,34, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2025.
991